HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 119

JPEG (Deze pagina), 842.65 KB

TIFF (Deze pagina), 6.11 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

IO5
Het bewijs echter, dat men de sommen, waar men dan credieten
voor zou kunnen vragen, werkelijk noodig had, dit begreep men wel,
zou men haar niet telkens vooraf kunnen leveren, en daarom moest
zij daar ook maar niet over te oordeelen hebben, dacht men. Uit
dien hoofde, bepaalt dan ook de wet, dat de Rekenkamer die crediet-
openingen (zij meent hare toestemming) zal verleenen zonder verwijl.
Deze laatste bepaling is al zeer zonderling: want hoe zal de Reken-
kamer nu zorgen, dat er niet meer betaald worde dan de begrooting
l toelaat, wanneer zij onvoorwaardelijk en zonder verwijl moet toestem-
j men in al wat de ministers vragen? Maar ook buitendien, hoe zal
g zij beletten, dat de Minister van Financiën, die dan toch altijd be-
stuurder van de schatkist blijft, aan zijne ambtgenooten credieten
opent, waar de Kamer niet van weet? Om hem dat te kunnen be-
l letten, zou men de rijks­comptabelen moeten onttrekken aan zijn ge-
j zag; doch daar men ze dan toch terstond weêr onder het gezag zou
j moeten stellen van een ander, zou daar niets meê gewonnen worden;
E de Rekenkamer zelve kan toch geen minister van financiën zijn: want,
i wie zou haar dan controleren?
l Het is dus uitgemaakt, dat de Minister van Financiën oredieten
|j kan openen, waar de Rekenkamer niet van weet, en dat dus de ken-
l nis, die de Rekenkamer van credietwopeningen neemt, geen het min-
i ste nut heeft.
· Gesteld nn, dat er, zoo doende, meer betalingen geschieden dan
de begrooting dragen kan (want, als er schulden zijn aangegaan, het-
geen de Rekenkamer niet beletten kan, dan moeten ze ook betaald
worden), wat zal er dan gebeuren?
l In dat geval, zal de Algemeene Rekenkamer de uitgaaf ver-
; werpen uit de rekening van den comptabele, ofschoon er deze volstrekt
l geen schuld aan heeft; vervolgens, zal zij weigeren, om die uitgaat
l te boeken op de begroeting; het gevolg daarvan zal zijn, dat die uit-
l gaaf dan ook niet zal voorkomen in de ministeriële rekening, en dat
t uit die rekening niet zal blijken, wat cr uit blijken moest, namelijk,
j dat de minister, wien ’t aangaat, zijne begroeting heeft overschreden.
Middelerwijl zal de comptabele blijven gedebiteerd voor eene som,
I die hij niet meer heeft, en al die verwarring zal de vrucht zijn van
het toezigt der Algemeene Rekenkamer.
Dat de voorafgaande verevening van dat collegie geen waar-
; borg insluit tegen de admissie van onvoldoende bewijsstukken is boven
aangetoond. In dat opzigt heeft zij dus geen nut; maar wat meer
is zij werkt schadelijk, want wat is er het gevolg van? Dat de ad-
i ministratie, toch vooraf niet wetende wat de Rekenkamer, die aan
j niets gebonden is dan aan hare overtuiging, al of niet voor een deug-
2 delijk bewijs zal willen houden, zelve zich weinig gelegen laat zijn aan
l het onderzoek van de stukken. Zijn ze gebrekkig, ,,dan zal ’t wel
j ,,blijken uit de aanmerkingen van de Kamer", zegt men, ,,en dan is
j het immers tijds genoeg." -­­ Die redenering, gelijk men ziet, zou
i
a
l