HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 116

JPEG (Deze pagina), 846.81 KB

TIFF (Deze pagina), 6.10 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

l i Y Y Y Z H A Y ‘ -ir.~ .,,5:,A.
‘.
gj 102
jij De Rekenkamer moge dit nu en dan anders hebben begrepen, den
schuldeischer eene nadere productie hebben afgedwongen van bewijs-
stukken, waar hij niet toe gehouden was; den minister in de voldoe«
ning aan zijne verbindtenissen hebben belemmerd; beiden mogen zich
hebben onderworpen, om aan de zaak een einde te maken, nooit is
er voor den Staat iets goeds te wachten uit eene miskenning van
regtsbeginselen, anders gezegd •uit willekeur.
Wat er dus ook gebeurd zij, zeker is ’t, dat de Rekenkamer, in [
’l° de beoordeeling van bewijsstukken regtens altijd afhankelijk blijft van L
lr het goedvinden der administratie. Zij moge na rijp overleg en met g
de beste bedoeling bepalen, wat zij al of niet voor een deugdelijk i
bewijs zal houden, een contract, buiten hare medewerking aangegaan,
stoot alles omver, en haar toezigt op dat punt schenkt alweêr geene
waarborgen hoegenaamd.
gaat lglns ook dit weder met een voorbeeld ocphejderen.
reste een minister contracteert wegens e evering van een of
ander voorwerp, laat het zijn een stoomwerktuig, bedongen voor
f 100,000, te betalen in vier gelijke termijnen, de eerste bij de
onderteekening van het contract.
Als men dan, vóór de betaling, de vordering wegens dien eersten
termijn aan het onderzoek van de Rekenkamer onderwerpt, moge zij
tai vrij hare bedenkingen inbrengen tegen zulk eene betaling, en zeggen,
dat het Rijk nog niet is gebaat; dat de schatkist daardoor schade zou
kunnen lijden; dat zij door bewijzen wil hebben verstaan bewijzen van
ig; oplevering , dat het hier eigenlijk te doen is om een voorschot op eene
jij aannemingssom, en dat zij zich tot het verevenen van zulke voorschot-
ten niet bevoegd rekent enz., altijd zal zij eindigen met te verevenen,
want zij kan het verkregen regt van den schuldeischer niet loochenen. j
tel li
j Zij kan ook niet beletten, dat er betaald wordt wat zij afkeurt.
Denke men echter niet, dat wanneer zij volhardde in hare
weigering, de betaling daardoor zou worden belet: geenszins; de
,1jt wet zegt wel, op art. 25, dat de vorderingen aan het voorafgaand {
'll onderzoek der Algemeene Rekenkamer moeten worden onderworpen, jp
200 veel ’á wat der zaak medeöreagá, maar zij verbiedt daarom de be- A
taling niet, ook zonder dat onderzoek.
i. Maakt de Rekenkamer het dus al te grof, zien de Departementen
‘ jji geen kans, om hare verevening te verkrijgen vóór de betaling, of wil- l
,; len of kunnen zij daar niet langer op wachten, dan maken ze gebruik “
van het regt, hun toegekend bij het daarop volgende art. 26 (1).
j j Zij moet lijdelijk afwachten wat de ministers goedvinden te betalen, of te contracterem `
De uitdrukking, in artikel 25, zooveel ’zf mit der zaak medeörengá, Y
wordt verschillend begrepen. De Rekenkamer verevent vóór de beta- r
in ­-­­-­-
Q I (1) Ind. C. W. art. 46.
l i
J ‘
, ; ’