HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 115

JPEG (Deze pagina), 846.74 KB

TIFF (Deze pagina), 6.11 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

R l
z
r
101
neer deze den minister belette, om te doen wat de Koning oorbaar
achtte. Drie maanden zouden er niet noodig zijn, om met verbazende
kosten, volslagen verwarring en stilstand te brengen in alle takken van
bestuur.
Van eene toepassing der verantwoordelijkheid van de ministers,
aangaande de uitvoering hunner begrootingen, zou dan vooral geene
sprake meer kunnen zijn. Al wat zij verkeerds hadden willen aanvan-
gen, zou de Rekenkamer hebben moeten tegenhouden, of alle verant-
woordelijkheid kwam op haar, die (men heeft het reeds aangemerkt)
l niet verantwoordelijk wezen kan.
Doch waartoe deze argumentatie uit het ongerijmde nog verder
voortgezet, om te bewijzen wat geen bewijs noodig heeft, dat name-
lijk de Rekenkamer niets vermag tegen het contracteren wegens nutte-
looze staats­uitga.ven en daaruit voortvloeijende geldverspillingeu.
Geene waarborgen zijn hiertegen te vinden, anders dan in de latere
verantwoording der ministers voor de Wetgevende Magt.
I Zij kan noch den vorm noch den inhoud bepalen der bewijsstukken, over te leggen
i tot staving van de schuldvorderiugeu.
· Als de opleveringen zijn geschied, volgens de contracten of
= bestellingen, als de diensten zijn gepresteerd, dan zijn er ook regten
· verkregen van schuldeischers. Die regten moeten worden gestaafd:
L want tot de wettigheid eener staats-uitgaaf behoort ook de deugdelijk-
· lj heid der bewijzen van elke vordering, die uit de schatkist wordt gekweten.
Hier, zal men zeggen, opent zich voor de Rekenkamer een ruim
I veld van heilzame bemoeijenissen. Was ’t nutteloos, dat zij vooraf
‘ l twistte met de administratie over de omschrijving van den begrootings­
· post, waar men de uitgaaf op zou boeken; was ’t overtollig, dat men
1 haar vooraf over de genoegzaamheid onderhield van de geldsom, die
» de wet had toegestaan; was ’t haar onmogelijk het contracteren wegens
­ 2 noodelooze uitgaven te beletten, ten minste kan zij nu oordeelen over
‘ de regten van de schuldeischers, en toezien, dat er uit de schatkist
P l` niet meer worde betaald, dan waartoe de Staat, ten gevolge van des
i- f ministers handelingen (zij mogen dan laakbaar of prijsselijk zijn) gehou-
1 den is; en wanneer dus, zoo als art. 25 harer Instructie voorschrijft,
de uitgaven vóór de betaling aan haar onderzoek, anders gezegd aan
ü hare voorafgaande verevening worden onderworpen, dan kan zij, zoo
:­ it als verder art. 28 bepaalt, zich ook vooraf van de deugdelijkheid
?· der bewijsstukken overtuigen.
H Dit alles laat zich hooren.
‘S Om echter over den waarborg te kunnen oordeelen, dien men hier
C5 denkt te vinden, moet men zich wel voorstellen, wat een deugdelijk
8 bewijsstuk is. Deugdelijk zijn alle bewijsstukken, die voldoen aan de
bl vereischten, gewild tusschen partijen, hier den minister en den schuld-
et eisoher. Wat deze daaromtrent met onderling goedvinden bepalen,
1- heeft voor beiden kracht van wet.
xl
l