HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 113

JPEG (Deze pagina), 787.81 KB

TIFF (Deze pagina), 6.12 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

r
i
99
heid aan kan voldoen. Al wat men verder van haar toezigt verwacht
is zelfbedrog der onwetendheid, zoo niet erger!
Men weet nu, wat koninklijke antorisatiën, wat beschikbaarstellin­
gen en wat at`- en overschrijvingen zijn. Dat zij niets gemeens kun-
nen hebben met de verantwoordelijkheid der ministers jegens de wet,
en dat hier het toezigt eener Rekenkamer uitloopt op ijdele verloo-
ningen is gebleken. _
Zij kan niet verheeden dat de fondsen der begroeting tot verkeerde einden worden
gebezigd;
‘ _ Orn geldig te zijn voor de wet, moet de uitgaat hare omschrijving
vinden in de begroeting, en moet er die begroeting niet door over-
schreden worden.
Dit is dus het eerste, waar een minister, uit het oogpunt zijner
verantwoordelijkheid, op te letten heeft, wanneer hij contracten sluit
, met aannemers, lastbrieven uitvaardigt aan werkbazen, leveranciers,
j enz., of benoemingen doet of voordraagt.
Toegestemd, dat de Rekenkamer, wierd zij daar vooraf op gehoord,
E den aard der voorgenomen uitgaat zou kunnen vergelijken met de
r omschrijving van den begrootingspcst, en de som, die men besteden
il wilde, met de sommen die de wet had toegestaan.
Op het eerste punt echter-de bestemming van den begrootings-
5 post­~zou hare wijze van zien weleens kunnen verschillen met die
H van de ministers: de ondervinding heeft geleerd, dat dit veeltijds het
geval is. Moest de minister nu zwiehten voor de Rekenkamer, dan
kon er de dienst door worden gestremd, tot groot nadeel van den
Staat, en de minister zou zijn verantwoord, moest daarentegen de
Rekenkamer zwichten voor den minister, wat zou zij dan kunnen ver-
t hoeden? Het eenige wat haar overbleef zou dan zijn, dat zij hare be-
zwaren voordroeg aan de Wetgevende Magt. Het zou echter al te
V j ongerijmd zijn, dat ieder geschil van dien aard door eene wet moest
j worden beslecht. Wat zou er dan worden van den gang der admi-
j ; nistratie! Die bezwaren zou dus de Rekenkamer pas kunnen voor-
dragen bij haar verslag, op het einde van ieder jaar-, en daar zij dan
­ toch middelerwijl zou hebben moeten berusten in het goedvinden van
i j den minister, zou ’t volstrekt geen nut hebben gehad, dat zij er eerst
’ EU nog met dezen over had gehaspeld en getwist, of, erger nog, op
F eene halve overtuiging had getransigeerd, om daarna van de zaak niet
' meer te reppen. R
l Of dat de posten der begroeting overschreden worden;
k j Op het punt, de geuoegzaamheid betreffende der begrootingsposten,
E; j begrijpt men toch wel, dat de minister tusschen twee geldsommen,
H de eene, die hij zal uitgeven, de andere die hem is toegestaan, even
B goed als de Rekenkamer kan oordeelen, welke van beide de grootste
L._ is. Daa1·enboven, als de minister aansprakelijk was voor hetgeen hij
rr
i
I
i
1