HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 111

JPEG (Deze pagina), 877.94 KB

TIFF (Deze pagina), 6.10 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

97
_ als wegens de onverpligte uitgaven, en wat behoefde men dus het
koninklijk gezag tot de laatste soort te beperken? Gesteld toch eens,
de Koning verbood aan den Minister van Financiën, om de reis- en
verblijfkosten der Staten­Generaal, en aan den Minister van Justitie,
‘ om de tractementen der regterlijke ambtenaren te betalen zonder zijne
voorafgaande toestemming, zouden dan die beide Ministers zich op
l de Wet van 5 October 18441 mogen beroepen, om zich aan dat
g . koninklijk verbod niet te storen? Als dan de Koning het regt niet
. had, om hen af te zetten, zou de grondwettelijke bepaling ,,dc
_ . Koning benoemt en ontslaat de ministers maar weZ_qevaZZen" door de
_ ; wet van 5 October illusoir zijn gemaakt. Behoudt de Koning daar-
' * g entegen dat regt van ontslag, wat behoeft de wet dan te bepalen, in
hoever de ministers gehoorzaamheid schuldig zijn aan den Koning?
{ j Zij mogen uit de wet geen regten ontleenen tegen het Hoofd van den
" Staat; zij zijn hem in ieder geval gehoorzaamheid schuldig, zoo veel
H bestaanbaar is met de oerpligáingen, die de wet hun oplegt; maar
V i daarom ook mag deze hun geene andere verpligtingen opleggen, dan
` ` waar zij zelf belang bij heeft.
E En welk belang heeft er nu de wetgever bij, dat de ministers hunne
t t facultatieve uitgaven afhankelijk houden van eene beschikbaarstelling
van fondsen door den Koning? Wanneer de Koning wil, dat men
` t die beschikbaarstelling van hem aanvrage, zal hij zelf dat wel bevelen
I aan zijne ministers, en wil hij met zulke aanvragen niet zijn bemoei-
_ ll jelijkt, dan zal hij er die ministers van ontslaan, ofschoon de wet er
T hen toe verpligtte: het wettelijk gezag heeft hier dus niets te maken.
2; l De Rekenkamer, zegt men, zou de uitgaven, welke geschied waren
uit fondsen, die de Koning niet beschikbaar had gesteld, moeten
1 verwerpen. Alles echter zou hier afhangen van de wijze, waarop de
S Koning zijne ministers van hunne verpligting ontsloeg: een besluit,
i hetwelk in twee regels het totaal bedrag van al de Hoofdstukken der
I staatsbegrooting in eens beschikbaar stelde, zou, in allen gevalle,
’ _ voldoende zijn, om de bedenking van de Rekenkamer op te heffen.
Was ’t anders, dan zou de wet den Koning een last hebben opge-
8 dragen, waar hij zich niet van kon ontslaan. Wie gaf den wetgever
r die magt? En zoo ziet men wel, dat de gansche bepaling omtrent
de beschikbaarstelling, daar zij noch regten kan schenken aan de
H ministers tegenover den Koning, noch verpligtingen kan opleggen aan
j den Koning tegenover de wet, niet anders is dan een waarborg in
_j C schijn.
it De wet van 5 October 1841 (staatsblad No. 40) miskent alle con-
_ stitutionele beginselen in zake van financiëel beheer: in plaats van de
Q betrekking te regelen tusschen de administratie en de wetgeving ,
è 1 anders gezegd tusschen de Uitvoerende en de Wetgevende Magt (wij
hebben ’t reeds aangemerkt) regelt zij op vele plaatsen de betrekking
k tusschen den Koning en zijne ministers, waar geen wetgever meê
E noodig heeft; en om toch vooral de verantwoordelijkheid der ministers
7