HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 110

JPEG (Deze pagina), 808.38 KB

TIFF (Deze pagina), 6.10 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

jl .
ij
jj ` `
§ ee
j
uit de verte medeluisterende, gerust ons hart versterken
j met eene cigaar.
l
j j De bemoeijenisscn van de Rekenkamer zijn nutteloos, wat de koninklijke uutorisatlën
j en bescliikbaarstellingen betreft.
i Y
j De Koning houdt aan zich het opperbestuur over de begroo-
‘ tingen, of door het autoriseren der uitgaven, of slechts door het `
beschikbaarstellen der geldsommen. `
Doch aan welk van die beide middelen de Koning de voorkeur
geeft, en wilde hij ze ook beide te gelijk in toepassing brengen, het _ l
• gaat de Wetgevende Magt volstrekt niet aan. j
j De wetgever heeft slechts het regt om te eischen, dat de sommen,
bij de begroeting toegestaan, hare ware bestemming bereiken, en niet
j worden overschreden. «
§ Is er aan die beide vereisehten voldaan, en heeft men den minister L
niets te verwijten, hetwelk strijdig was met de belangen of de veilig- g
j j heid van de schatkist, dan moet hij ook worden gehouden voor
verantwoord jegens de wet.
De Koning kan dan nog altijd den minister afzetten , die mogt j
hebben verzuimd, eer hij de uitgaaf deed, de voorgeschrevene auzf0ri­
jj sazfièh of öesckiicóaarstellingen aan te vragen. Dit is eene zaak tus-
sehen den Koning en zijne ministers; doch al hadden deze laatsten
j vijf en twintig beschikbaarstellingen en even zoo vele autorisatiën des
Konings gevraagd, voor de wet zou ’t hun niet baten, wanneer zij j
eene som , bij de begroeting toegestaan, hadden overschreden of tot jj
verkeerde einden aangewend.
En zoo ziet men, dat de ondergescbiktbeid der ministers aan den
jj; Koning geheel iets anders is dan hunne verantwoordelijkheid jegens j
de wet. J
Door het eene met het andere te vermengen en te verwarren, j
loopt men gevaar van beiden te miskennen. E
Qjj Dat doet de wet van 5 October 184] (staatsblad No. 440). jï
Zij zegt op art. 23, dat, zoo het geene uitgaven betreft op de
jj Grondwet of bijzondere wetten gegrond, de bescbikbaarstelling door
den Koning zal plaats hebben bij besluit. _
j Dit wil zeggen, dat, met uitzondering b.v. van de verblijfkosten jj
j der Staten~Generaa1 en van de bezoldiging der regterlijke magt, i
waarvan het eene bij de Grondwet en het andere bij de wet is gere-
i geld, de ministers geene uitgaven mogen doen, dan op een besluit F
j des Konings, hetwelk de daartoe vereiscbte sommen beschikbaar stelt.
j Met andere woorden, de verpligte uitgaven mogen de ministers
j doen zonder ’s Konings voorkennis, de onverpligte of facultatieve j
j uitgaven niet.
Wat beduidt die onderscheiding? Zoo de ministers verantwoordelijk
zijn voor de wet, dan zijn zij ’t immers even goed wegens de verpligte
1
4