HomeProeve eener betere regeling van het Indisch comptabiliteits-wezen. I, Nieuw ontwerp, houdende regelen voor de wijze van beheer Pagina 107

JPEG (Deze pagina), 777.39 KB

TIFF (Deze pagina), 6.06 MB

PDF (Volledig document), 85.83 MB

93
nog meer in de toekomst, en nog verder de verevening en
de uitgaaf.
Derhalve heeft er geene uitgctctf plaats bij de uitbetaling van
een voorschot; inderdaad is die handeling zoo ver van het be-
grip van uitgaaf verwüderd, dat als het voorschot (gelijk men
moet aannemen in den regel te zullen geschieden) geheel wordt
gerestitueerd, het nooit tot eene uitgartf komt, maar dat zulk
een resultaat integendeel alleen ontstaat wanneer de restitutie
1 niet, of slechts ten deele plaats heeft. Het niet terugontvan-
A gene is dan een verlies, dat de Staat voor zijne rekening neemt,
en dat dan als eene denkbeeldige uitgaaf wordt behandeld.
Voorschieten is Zeenen, met het uitzigt op temgqovztcctngst, ­- uit-
geven is verteren.
gelooven met dit weinige te kunnen volstaan, ten be-
` tooge dat voorschotten niet bij de begrooting behooren te wor-
den verhandeld.
Wat is nu de reden van de inconsequentie der wet? Niet
anders, dan dat zoo oppervlcthhig was om in art. 49 voor
twee verschillende zaken hetzelfde woord te bezigen. Die op-
pervlakkigheid was zóó groot, dat de wet zich zelve misleidde
en in art. 12 (zie hierboven) eene bepaling opnam, die met
betrekking tot de voorschotten ongerijmd, en met opzigt tot het-
geen mede in die benaming begreep, totaal overbodig is.
Dat mede­inbegrepene zijn de fondsen voor Uhuishoudelijk
beheer", ,,tot het doen van betalingen voor de zee- en land-
,,magt", en ,,voor andere onderwerpen", -­ ,,waartoe ordon-
,,nanciën worden afgegeven op de betrokken afdeelingen der
,,begrooting.”
j De verstrekking van die fondsen, aanvankelijk leidende tot
bezwaar der begrootings-afdeelingen, kan er alleen sprake
zijn van de begrooting van het jaar waartoe de nader werke-
lijk uit die fondsen te bestrgden uitgaven behooren; want een
volgend jaar zorgt weêr voor zijn eigen huishoudelijke fond-
sen, -- en wel niemand zal op de gedachte komen dat een
vroeger jaar kon worden bedoeld, want de fondsen zijn be-
stemd voor uitgaven die nog te doen zijn.
De bepaling van het dienstjaar met betrekking tot fondsen
voor huishoudelijk beheer kan dus op haar best slechts aan-
spraak maken op den naam van pleonasme.