HomeDe Indische spoorweg-conventiePagina 17

JPEG (Deze pagina), 665.96 KB

TIFF (Deze pagina), 5.96 MB

PDF (Volledig document), 11.00 MB

15
maatschappij te beleven. Men zou dan het gemis van eene con-
cessiewet betreuren en de gebreken onzer concessiën leeren ken-
V nen. De strijd zou loopen over de regtelijke natuur van spoor-
wegen en eoneessiën, over de beteekenis van de bekrachtiging bü
= de wet van sommige artikelen eener concessie of overeenkomst,
over de verhouding van den Staat tot andere schuldeischers, over
de al of niet werking van compensatie bij faillissement, over het
gemis aan preferentie bij den Staat enz. Sommige dezer vragen
vindt men behandeld in het Voorlopig Verslag van het ontwerp
op de concessieverleening.
Al deze vragen zouden waarschijnlijk civielregtelijk tégen den
pk Staat worden beslist, terwijl zij bij eene speciale wet, niet enkel
op de concessieverleening, maar op de concessiën, juist integen-
overgestelden zin behooren te worden geregeld als noodzakelijke
afwijkingen van het gemeene regt.
Het aangevoerde moge den Minister van Koloniën overtuigen,
dat de gebreken der regeling meer dan den vorm raken, dat het
niet aangaat in een constitutioneel land, op goed vertrouwen, een
groot belang als hier in het spel is, in gevaar te laten, en dat
het voor hem een questie van vorm, zeker geen questie van
t portefeuille moet zijn, eene betere regeling tot stand te brengen.
De Raad van beheer der Maatschappij is in hare laatste Alge-
meene Vergadering gemagtigd in alle wijzigingen toe te stemmen.
Thans hangt de Maatschappij nog van den Staat af. Later zou
de Staat afhankelijk zijn van de Maatschappij.
Aan de medewerking van den Minister van Finantiën twijfelen
wij in het geheel niet. Hij weet hij ondervinding, dat als de
wet aangenomen is, de Maatschappij regt heeft uitvoering der
overeenkomst te eischen en hij geene nieuwe voorwaarden stellen
kan.
Daarom acht ik de beleefde wenk als dc Heer Thorbecke gaf
en die naar toekomstige aanvulling scheen te wijzen, niet vol-
doende. In deze soort van zaken is het eene politieke strategie
de dreigende moeijelgkheid tot latere voorziening te verschuiven,
maar men kan er bijna op rekenen dat elk vertrouwen op on-
verpligte concessiën wordt teleurgesteld. De Tweede Kamer laat
t zich dikwijls door het zoogenaamde politiek belang van het