HomeNota over den aanleg van spoorwegen en kanalen op JavaPagina 18

JPEG (Deze pagina), 892.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 24.91 MB

jk
j 18
Daalt de massa te vervoeren goederen ver beneden- dit<
j cijfer, dan zal men zich aanvankelijk met minder kostbare E
i paardenbanen moeten vergenoegen; en van de te verwachten
uitbreiding van het vertier zal het afhangen of de baan il
al dadelük voor locomotiefdienst ingerigt moet worden
olf niet. ­ ij
Naar hetgeen den ondergeteekende van het vervoer op
Java bekend is, gelooft hij dat het stoomspoorwegvervoer
l zich aanvankelijk zal moeten bepalen tot de lijnen Batavia-
Buitenzorg, Samarang­Oenarang­Salatiga­D_jocjo en S0erabaya·
Malang. Uit de lijn halfweg Batavia en Buitenzorg zal langs
T_ji­Lingsie en T_ji­Baroessa eene lijn, aavankelijk door paar-
den of stieren bediend, door het dal der T_ji­Behet en langs
T_ji­Kendi naar de Tjiandjoersche vlakte loopen , van daar in i
hoofdstrekking den bestaanden weg (maar dan eens links, V
dan eens regts daarvan slingerende) volgen en te Bandong
eindigen of tot Tjitjalengka worden doorgetrokken. Deze
Weg zal één steil hellend vlak, verscheidene hellingen van
1 op 50, bogten met kleine stralen en één tunnel van
weinige honderden ellen lengte vorderen, met eenige groote
bruggen. Zeer fraai is zij dus niet; maar de andere rig- gl
tingen, hetzij tusschen Salak en Gedeh door, hetzij langs- jj
Tjikao naar Tji·Padalarang, zijn zooveel slechter, dat de
lün langs de Tji­Behet (door den luitenan.t­kol0nel de Seyff
opgespoord) toch de Voorkeur verdient. Men vindt toch
tusschen Tjikao en Tji­Padalarang, over circa 50 mijlen
lengte, herhaalde klimmingen en dalingen en eene bijna jg
doorloopende helling van 1 op 51. Onbegrüpelijk schijnt
het dat, na de opmetingen van Februarij en Maart 1862 ,
de gouverneur­generaal nog in Augustus 1862 dielijn heeft j
kunnen aanprijzen.
Voor het oogenblik zal de ondergeteekende niet langer
bü verschillende spoorweglünen verwijlen en alleen terloops
nog aanmerken, dat eene lgn van Tagal naar Tjillatjap
en eene van Soerabaya naar Kederie, zeer zeker hunne i
exploitatiekosten niet zouden goedmaken. Een indisch ambte-
j naar, sedert vele jaren op Java en goed met dat eiland
bekend, drukte de onbestaaanbaarheid dezer laatste lijn
l krachtig uit door te zeggen: dat de conducteurs der ledige 1
treinen ten spot zouden verstrekken aan de praauwvoerders L
j op de Kediririvier. Q
l 5 15. Wanneer men niet kan bewijzen, dat het bestaand
j vervoer voldoende is om een spoorweg te voeden, is men 1
j .
il I
i
ll .
il ,i