HomeNota over den aanleg van spoorwegen en kanalen op JavaPagina 10

JPEG (Deze pagina), 859.78 KB

TIFF (Deze pagina), 6.86 MB

PDF (Volledig document), 24.91 MB

10
rijst het terrein plotseling zeer sterk. Het terrein langs den
bestaanden weg is aan de eene zijde begrensd door het
groote, diepe ravijn, waarin de rivier Sintjoyo stroomt; aan
de andere zijde door de onregelmatige heuvelen, die de
zuidzijde van het Toentang­ravijn begrenzen.
Aldus ingesloten op een smallen rug, mist men de ge-
legenheid om groote slingeringen te maken; en het zou den
i ondergeteekende zèèr verwonderen indien eene verlenging
1 van dit gedeelte der baan met welligt 8 of 9 kilometers de
gelegenheid gaf om de maximum helling te brengen op 1
tot 40.
Niet in de helling op zich zelve ligt dus het bezwaar van
den aanleg maar in de regelmatigheid of onregelmatigheid
van het terrein, en de al dan niet bestaande mogelijkheid,
om door verlenging der baan de helling te verminderen.
§ 7. In hetgeen gedurende den laatsten tijd over spoor-
wegen op Java geschreven is, treft men niet alleen die
dwaling aan, dat de helling alléén de kosten van aanleg
vergroot; maar ook nog die andere (uit de eerste voortge-
vloeid), waardoor men steeds de absolute hoogte, welke een
spoorweg bereikt, als een nadeel doet voorkomen. De
ondergeteekende zal ook die dwaling kortelijk trachten aan
te toonen.
VVanneer een spoorweg met zachte hellingen van de zee ’
tot bijvoorbeeld 700 ellen boven de zee stijgt, en dan weder i
van lieverlede naar de vlakte afdaalt, zoo zal het gewigt
der locomotief, behalve van het gewigt der treinen, inrig­
ting der assen en raderen, enz. vooral afhangen van de
ltelllag. Ook de lengte van die helling zal niet zonder invloed
zijn. Neemt men aan dat, als gewoonlijk, de berg bestegen
wordt met verschillende hellende gedeelten , door horizontale
of weinig hellende dorpels en stations of halten gescheiden,
en dat bijvoorbeeld de langste en steilste helling is die van
1 op 60 over 6 kilometers lengte, dan zal het gewigt der
locomotief daarnaar moeten bepaald worden.
Gaat men nu in eene andere rigtingtwee malen over eene
hoogte van 550 el, telkens weder naar de diepte afdalende,
l dan is de som der totale klimmingen en dalingen, even
als in het vorige geval, 1400 ellen. Is nu in deze rigting
lj de langste en steilste helling even als die, welke boven is
1 verondersteld, dan is hetzelfde gewigt der locomotief
[ noodig. En toch bereikt deze spoorweg geen hooger punt
’ dan 550 el.