HomeStemmen over staatkundige en maatschappelijke vraagstukkenPagina 21

JPEG (Deze pagina), 888.89 KB

TIFF (Deze pagina), 7.72 MB

PDF (Volledig document), 76.71 MB

l
Paoomssiën. 15
denzelfden zin steeds begrepen. Toen den 20 Nov. 1856 door
{ E den toenmaligen Bredaschen afgevaardigden, den HeerMnzus­
{ sm tot de regeering eene interpellatie was g·ericht over de
{ vervolging van eene processie in N. Brabant zeide die afge-
{ vaardigde: ,/dat men (in 1848) de rechten, die bestonden, de ‘
l openb. godsdienstoefening·en, die ia gebrui/tx waren, het feitelq/c F
l bezit heeft willen eerbiedigen en doen eerbiedigen. Hetgeen in
{ 1848 bezeten werd, heeft men niet willen wegnemen. Dit is,
{ geloof ik, boven alle bedenking waar" 1). En de toenmalige
{ Minister van Justitie, de Heer van DER Bnueerimu, die als
rechtsgeleerde zich eenen wolverdienden naam heeft gemaakt,
zeide: »»Omtrent de vraag, naar welke grondslagen men te
{ oordeelen hebbe of eene openbare godsdienstoefening, thans {
‘ i naar de wetten en reglementen is toegelaten, is men van eene
gezonden interpretatie uitgegaan. Men heeft gemeend, dat dit
artikel het statas qao wil handhaven. W/Alle openb. godsdienst-
oefeningen buiten de gebouwen en besloten plaatsen, welke
_ in 1848 toegelaten waren, moeten geoorloofd blijven."" Van-
ïï"` daar twee vereischten: zij moeten facto in werking zün geweest
in 1848; destijds bestaande zün geweest; doch zij moeten
niet alleen facto maar ook wettig ia gebrui/s zijn geweest; want i
de 28 alin. van art. 167 zegt: tt/zij blüven geoorloofd, waar zij {
thans naar de wetten en reglementen z§ntoegelatea."" Derhalve 8
zün er twee regelen, twee grondslagen ter beoordeeling: voor- {
`QA eerst, is eene godsdienstoefening in 1848 werkelijk in gebruik
, geweest, en ten tweede, is die godsdienstoefening destüds
{ wettig toegelaten. Deze laatste vraag nu kan alleen hare be-
antwoording vinden, naar het inzien der regering, in het be- t
sluit van 23 April 1822, waarbü destijds door den koning is i
bepaald Mdat in de Noordelüke provinciën al _ die prooessiën, {
al die bedevaarten of begravenisplechtigheden zouden kunnen {
i voortgaan, welke destüds zonder interruptie hadden plaats ge-
{ _ had."" Ziedaar de tweede grondslag, naar welke deze zaak, {
1 naar het inzien der regeering moet beoordeeld worden." 2) "
{ 1) Ham?. der 22 Kamer. Zitting 1856/57 blz. 148*. {g
2) Haat!. tier 2e Kamer. Ziiting 1856/57 blz. 134. gi
» F;
.{ T
{ L
.‘; j
‘1
lt .
K JW ` ···· -­.;èï·ïï­¤"¥·¥*ï¥;x:··-.;«ï. » T; ``'K "‘·ï"T`ï"’*"ï""""*¥"""·"`*“ ' ·' -· · ··‘*".’ " «