HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 56

JPEG (Deze pagina), 828.42 KB

TIFF (Deze pagina), 6.85 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

l i
E 50 i .
Ii betrekkelijk geringe legermagt geheel Java, dat toen ook een `
l door eenen kundigen generaal ontworpen defensie­wezen had, =
binnen weinig dagen genomen hebben. Dit onderwerp moet
ik echter aan de beoordeeling en diskussie van hen over-
laten, die het grondig bestudeerd hebben. ”
1 Tusschen deze redeneringen over de aangebragte argu­
menten uit een staatkundig oogpunt, plaatst de minister
· nog eenige volzinnen, om te beweren, dat reglementen,
X Waarin men de betrekkingen en wederzijdsche verpligtingen
tusschen den Nederlandschen landeigenaar en den Javaan wil i
l omschrijven en afbakenen, eigenlijk niet veel waarde heb- *
ben, omdat het de vraag is , of het gouvernement de land-
heeren binnen die baken kan houden. Ofschoon dit be-
§ zwaar, zoo als het is voorgesteld, weinig kracht heeft,
dewijl het niets dan eene vraag is , waarvan de beant-
woording aan ,, hen die op Java bekend zijn en den ver-
koop van landen aldaar aanprijzen" wordt overgelaten, wil ri
ik het evenwel met eene wedervraag oplossen. Is het gon- r
vernement Mams niet bij magte, om het reglement, vervat
l in de publikatie van den 28 Februarij 1836, te handhaven?
i Kunnen de Javanen, wanneer zij bij den assistent­resident
van Buitenzorg of Krawang of Indramajo of den resident
van Bantam komen klagen, geen regt verkrijgen? Heb-
ben er uit die landen naar de gouvernementslanden verhui-
* zingen plaats, als een bewijs van het onregt dat er ge-
l schiedt? Is er vrees, dat, ofschoon op die landen de re-
I gering hare reglementen wel kan handhaven, zij het op de
l landen, die nog verkocht zullen worden , niet zal vermogen? W
Daar de laatste boven deze afdeeling geplaatste woorden '
van den minister slechts eene herhaling zijn van ’t geen hij
vroeger had gezegd, hetwelk reeds genoegzaam is toegelicht,
behoeven wij daarbij niet langer stil te staan. Dat men te
l vergeefs ,, door middel van indirekte inkomsten eene kompen-
j satie zal zoeken voor hetgeen men missen zal ", mag de
ä minister dan eerst verzekeren, wanneer hij zal hebben aan-
l getoond, dat partikuliere landen thans niets aan de regering
opbrengen, en zij alzoo nu reeds te vergeefs, door middel
van indirekte inkomsten , eene kompensatie zoekt voor het-
geen zij door verkoop missen moet.