HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 55

JPEG (Deze pagina), 841.64 KB

TIFF (Deze pagina), 6.91 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

- - ,,.. _ . , J, . r r _,. , W ,., . - ...-,·«¤.­­~w,·,.«..·~­»­­•-­:&•¢"'·-€‘~~·«··»­
49
rijen, uit een staatkundig oogpunt ontleend, al verder te
ontzenuwen , vraagt de minister: of men van de gouverne-
ments­ambtenaren niet dezelfde diensten kan erlangen als
van de landheeren? en hij wijst op de verdediging van
Magellan in den Iavaschen oorlog, toen ,,deze hoofdplaats
i der residentie Kadoe , door eenige weinige ambtenaren, bij-
gestaan door de Europesohe ingezetenen en een klein
garnizoen, tegen eenen honderdmaal sterkeren vijand ver-
dedigd werd." Aan de waarde van dit feit zal ik niets
trachten te ontnemen, en ik wil zelfs gaarne erkennen, dat
J: van ambtenaren evenveel braafheid en moed te verwachten is.
N Maar dit bewijst juist te meer hoe nuttig het partikulier land-
bezit , uit een staatkundig oogpunt, moet wezen , en hoe men
,,ingeval van binnenlandsche onlusten of een aanval van den
li buitenlandschen vijand op krachtdadige hulp der grondeige­
je naren kan rekenen." VVant terwijl zich nu in eene residen-
tie slechts eenige weinige Nederlandsche ambtenaren bevin-
ji den, van wie men die hulp verwacht, zullen er dan eenige
honderd Nederlandsche landheeren en hunne ondergeschik-
ten wezen. Terwijl nu bij voorbeeld in het distrikt Sadjira
j_ geen enkele is, zullen er dan zeer velen zijn. De redene-
, ring van den minister pleit alzoo voor de waarheid en deug-
delijkheid van het bijgebragte argument.
l Al verder erkent de minister, dat wanneer het in den
raad der Voorzienigheid besloten mogt zijn, het gebied over
l den schoonen en rijken Archipel aan het Nederlandsche volk
j te ontnemen en op eene andere natie over te dragen, dan
ik nog de partikuliere eigendommen der Nederlanders zouden
ik worden geëerbiedigd. Maar hij is voor die gebeurtenis niet
I bevreesd; hij vertrouwt op onze tegenwoordige middelen ,
van defensie; hij houdt het er voor, dat de vijandelijke le-
j germagt, die op Java komt, door gebrek, vermoeijenis en
sterfte spoedig zal vernietigd zijn. Ik hoop het en wensch
het van ganscher harte. Ik vlei mij ook dikwijls met deze
l voorstelling ; ­­­ maar dan word ik niet zelden uit die zoete
phantasie opgewekt door stemmen van deskzmdigerz , die ons `·
~ defensie­stelsel, dat zoo veel millioenen schats en handen­
t arbeid der Javanen gekost heeft, ten eenenmale afkeuren. gl
Of ik denk aan het jaar l8ll , toen de Engelsehen met eene j
E 4 i
, 2