HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 53

JPEG (Deze pagina), 874.77 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

VI.
Argumenten voor den landeigendom van Neder-
landers uit een stsatkundig oogpunt.

Men beweert, dat de uitbreiding van den landeigendom van Neder-
landers ook uit een staatkundig oogpunt aan te raden is, en dat men ,
ingeval van binnenlandscbe twisten of eenen aanval van den buiten-
landsehen vijand , op krachtdadige hulp der grondeigenaren kan reke-
; nen , gelijk zulks bewezen is door het voorbeeld van een pachter op
§ het landgoed Ampel, den heer Dezentje, en kapitein Steven (zegge
J Stavers) in Kedirie , in den oorlog met Diepo Negoro.
( Deze voorbeelden zijn niet zeer gelukkig gekozen; de heer Dezentje
was meer Javaan dan Europeaan; hij leefde en regeerde als een Ja-
5 vaansch vorst, hij was gehuwd met eene inlandsche Prinses, en
oefende dien ten gevolge en om reden hij de bevolking zijner landen
¥ welligt eenigzins gunstiger behandelde, dan met de inlandsche hof-
grooten van Soeracarta het geval was, eenigen invloed uit.
Een Europeaan van geboorte zou van den lnlander niet gedaan
gekregen hebben wat gemelde heer er van erlangde; en wat den
heer Stavers aangaat, hij is braaf en kundig, doch of de bevolking
van Blitar in de residentie Kedirie hem met welgevallen herdenkt ,
zou een nader onderzoek vereischen.
Dan ik vrage het , kan men van de gouvernements-ambtenaren niet
dezelfde diensten erlangen als van landheercn? Hebben de eersten
zich in den oorlog tegen Diepo Negoro ook niet onderscheiden?
` Zijn er niet velen , aan welke men evenveel en misschien meer erken-
i telijkheid schuldig is, dan aan de heeren Dezentje en Stavers? Men
g herinnere zich onder anderen slechts de verdediging van de hoofdplaats
der residentie Kadoe, door eenige weinige ambtenaren, bijgestaan
A door de Europesche ingezetenen en een klein garnizoen, tegen eenen
P honderdmaal sterkeren vijand.
Dat de betrekkingen en wederzijdsche verpligtingen tusschen den
E Nederlandsehen landeigenaar en den Javaan, zoo als mede wordt
‘ opgegeven, door reglementen nader kunnen worden omschreven en
’ afgebakend , is zeer goed.
Men kan, ja reglementen maken en de wederzijdsche verpligtingen
afbakenen, maar of het Gouvernement de landheeren binnen die
bakens kan houden , en of zij binnen dezelve zullen blijven , is eene
, · vraag die ik ter beantwoording overlaat aan hen , die op Java bekend
ll zijn , en die den verkoop van landen aldaar aanprijzen.
Men zegt verder, dat wanneer het in den raad der Voorzienig-
heid besloten mogt zijn , het gebied over dien schoonen en rijken
Indischen Archipel aan het Nederlandsche volk te ontnemen en op
eene andere natie over te dragen, dan nog de particuliere eigen-
; dommen der Nederlanders zouden worden geëerbiedigd.
j Dit nu valt niet te ontkennen; dan het is ook waar, dat Java,
j goed bestuurd en goed verdedigd, voor Nederland niet zoo gemak-
j kelijk zal verloren gaan; geen Europesche vijand zal zich, met onze
` tegenwoordige middelen van defensie, in de binnenlanden aan eenen
guerilla­oorlog wagen; zijne legermagt zou, wanneer hij den moed
had zulks te ondernemen , door gebrek , door vermoeijenis en sterfte ,
spoedig vernietigd zijn, en dezelve zou zich gelukkig achten, met
de débris van die magt ongehinderd weder naar boord harer schepen
te kunnen terugkceren.
Dat het verlies in het bedrag der gouvernements­producten , door
I
I