HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 48

JPEG (Deze pagina), 850.13 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

·t
lx
li; 42 r
ï
lamd; het heeft geene middelen om zich met die geringe-
ll bijzonderheden in te laten, welke noodig zijn om van zulk
jj eene verspreide en versnipperde bevolking en kultuur , zon-
der eenigen band van eenheid, partij te trekken. Van daar
j geene ontwikkeling van eenig belang; de bestaande water-
j leidingen slechts klein en gebrekkig, door individuële mid-
jl? delen daargesteld en verkregen; de schoonste gronden on-
gebruikt en onbenuttigd. Geeft gij nu aan de partiku-
liere nijverheid deze landstreek over; verkoopt gij haar _,
jj aan iemand, die zijne industrie op haar toepast, dan zal li
‘ Sadjira binne11 korten tijd een geheel ander aanzien verkrij-
gen. De partikuliere eigenaar is in zijne handelingen on-
belemmerd, terwijl de kontroleur zijne plannen tot verbete-
, ring aan den assistent resident, deze weder aan den resident,
ë die weder aan den directeur der kultures enz. enz. moet
, onderwerpen. Ik beroep mij op de ondervinding van alle
ambtenaren bij het inlandsch bestuur en de landelijke in-
ll komsten, op die van den minister zelven , om te bewijzen,
' hoe door deze formaliteiten, en de aanmerkingen die op de
I beste voorstellen soms door minkundigen maar hooggeplaat­
l sten gemaakt worden, de schoonste plannen dikwijls onuit-
l gevoerd zijn gebleven. Ik denk hier bij voorbeeld aan de
geprojekteerde waterleidingen in Deniak en Poerwodadi. De j
Q partikuliere nijverheid is aan geene formaliteiten gebonden;
zij werkt met een veel grooter personeel op eene veel kleiner
schaal; zij kan alle onderdeelen tot één punt vereenigen en
het geheel tot in zijne geringste détails overzien; zij kan
' alle bronnen aan haar voordeel dienstbaar maken. Wiij zul-
l len daarvan eenige bewijzen aanhalen. X
a. De partikuliere nijverheid stelt zich tot taak, om alle
3 middelen aan te wenden ter uitbreiding en verbetering van den
j rijstbouw. Zij zal waterleidingen graven, ’t geen de ingezetenen
van Sadjira, door gebrek aan eenheid, niet kunnen; zij zal
l daartoe de middelen van wetenschap en kunst te baat nemen,
en bij elken stap nieuwe ontdekkingen doen, zoodat de eene
verbetering de andere aanwijst; zij zal, door water te bren-
gen op streken, vroeger droog of met wildernis bedekt,
hare bevolking vermeerderen, want waar op J ava water is
zet zich, zonder dat men er moeite toe doet, volk neder om
I