HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 44

JPEG (Deze pagina), 818.69 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

i i ‘‘ ‘ ‘ zo c ‘ te s .
F a
è E
l
, 38
.1 van 10,000,000 veel digter bij de waarheid komt , terwijl
j het cijfer van Raflles volstrekt op geene gronden steunde en
veel te laag was. Of het verschil van het cijfer der bevol·­
il king op de partikuliere landen ook voornamelijk aan die oor-
L zaak moet worden toegeschreven, durf ik noch ontkennen , Y
`ii noch bevestigen; ofschoon ik de opmerking niet mag terug- j
l houden, dat de landeigenaren al hunne voordeelen van de ä
meerdere of mindere bevolking hebben, en het dus van den
j beginne af zeer in hun belang was , met den staat daarvan Y;
l naauwkeurig bekend te zijn; terwijl daarentegen het gon- j
vernement vóór het kultuurstelsel er weinig of geen belang {
' bij had, en er zich volstrekt niet mede inliet. Daarom is,
dunkt mij, op de cijfers van Tjikandi­()edik toch nog meer
- staat te maken, dan op die van Java in ’t algemeen. Boven- 1
dien moet men wel in het oog houden, dat eene bevolking
J op Java, die het te kwaad krijgt, verhuist. Ieder man, i
l die zijn land verlaat, is voor den landeigenaar onmiddellijke
schade. Maar als de bevolking het in eene gouvernements
residentie moede wordt, dan verhuist zij van de eene resi-
r dentie of het eene regentschap of distrikt naar het andere,
l en blijft voordeelig voor het gouvernement, waar zij zich
ook vestigt. Zou deze omstandigheid mede niet in aanmer-
j king behooren te komen , bij de beoordeeling van de meerdere
of mindere geloofwaardigheid der cijfers , die ons van beide
J zijden worden voorgesteld?
i Ook de vermeerdering van produktie der partikuliere lan--
] den bewijst, volgens den minister, niets voor de wensche­ _,
lijkheid van het verkoopen van landerijen; want hij ontkent, i
j ,,dat de produktie op de landgoederen eenen aanwas heelt
I bekomen, welke verre die van de gouvernementslanden
i 0vertreft.” En tot bewijs voor die ontkenning verwijst hij
naar den hierboven reeds door ons behandelden vergelij-
kingsstaat der produktie van Java in 1824 en 1847. ,,l·1et
tegenovergeste1de" zegt hij ,,kan blijken uit hetgeen hier-
voren is opgegeven ten aanzien der produktie van Java
in 1824 vergeleken met de laatste jaren ". Hoe kan de
minister dit zeggen , zonder bij die zinsnede te gevoe-
len, dat zijn staat, al was hij ook juist, volstrekt niets