HomeBedenkingen tegen de mededeeling van den Minister van Koloniën aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, omtrent den verkoop van Pagina 36

JPEG (Deze pagina), 847.27 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 50.79 MB

la r nl
w
‘ so
j Ten einde het argument van den heer SLOET , dat de
vorsten van Djokjokarta en Soerakarta hunne landen verhuren
j en dus ook het regt hebben die te verkoopenl, te ontzenu-
l wen, merkt de minister op, ,, dat dezen nog nimmer op
" het denkbeeld zijn gekomen, om tot zoodanigen verkoop te
j willen overgaan, en men daaruit zou kunnen afleiden, dat
j zij de overtuiging hebben er niet toe geregtigd te zijn." De
[ logische juistheid dezer konklusie laat, dunkt mij, nog al
wat te wenschen over. Maar ook de stelling kan niet ge-
ï heel worden toegestemd. De soesoehoenan van Soerakarta en j
l de sulthan van Djokjokarta zijn bij uitsluiting eigenaren van
alle landen in hun rijk. Zij geven van die landen in leen
Y aan prinsen, hofgrooten, ambtenaren, enz. voor hun onder-
houd, die daarvoor bepaalde diensten verrigten. De tijde-
lijke bezitters der landen verhuren ze aan pachters, ’t zij
demangs (Javanen), ’t zij Europeanen. Zij kammen ze niet
verlcoopen, want zij hebben ze slechts in leen. De eenige,
die ze verkoopen kunnen , zouden de soesoehoenan en
i sulthan wezen; maar doen zij dat, dan verkoopen zij
hun rijk, en worden eindelijk vorsten zonder land; Want
de souvereiniteit, die het gouvernement behoudt bij het
verkoopen van zijne landen, behouden zij niet, omdat zij
ze ook nu niet bezitten. Immers het gouvernement is sou-
verein ook van Djokjokarta en Soerakarta, en de soesoe-
hoenan en sulthan zijn op hunne beurt ook weder slechts
leenmannen van het gouvernement. Dat alzoo die twee vor-
sten geene landen , of liever de bevoegdheid, om belastingen
te heffen , enz. niet verkoopen, is volstrekt geen bewijs , dat ze
zich daartoe niet geregtigd beschouwen. Bovendien hebben
ze het regt van belastingen te heffen , heerendiensten te ver-
gen, enz. (het eenige wat ze eigenlijk bezitten) van velen
hunner landen reeds werkelijk verkocht, namelijk aan het-
zelfde gouvernement, dat hun thans daartoe het regt ont-
zegt. Bij het vroeger reeds aangehaald kontrakt, gesloten
den 26 Maart 1831, tusschen de kommissarissen ter rege-
ling der zaken in de vorstenlanden en de voogden van v
den sulthan van Djokjokarta, heeft die vorst afstand gedaan
van zijne landen in Bagelen, Madioen, Kediri en Banjoe­
mas , tegen eene jaarlijksche schadevergoeding van f 210,000.
1
l