HomeBeschouwingen over de belangen onzer nationale nijverheidPagina 43

JPEG (Deze pagina), 592.11 KB

TIFF (Deze pagina), 6.25 MB

PDF (Volledig document), 27.35 MB

41
thans f10O cn meer, zoo als ons wordt verzekerd, voor
een bunder heidegrond willen besteden, waarvoor zij
vroeger, tijdens de oprigting der Maaóscáapplä mw
Ilfelclarligácirl, geen (/` 3 over hadden, dan zouden wij
wel eens willen Weten waarom de Maatschappij, met
l de ondersteuning die zij geniet, er niet zou kunnen
komen. O, mogten aan het beheer dier belangrijke
i zaak ook praktische energieke mannen zich willen wijden ,
hoe veel dank zou het vaderland hun daarvoor niet
schuldig zijn! Doch ook de natie moet hierop wakker
worden. Wij hebben voor eene uitbreiding van het
` fabriekwezen geijverd, omdat wij dit in het algemeen
belang raadzaam achten; maar wij willen zoo veel te
meer ijveren voor eene inrigting als dei Maaöscáappvj
van Weldacligáeicl. Die Maatschappij is niet minder in
het algemeen belang. Waar moeten wij anders heen met
onze overbevolking, die er bestaat? Wij moeten ze onder-
houden, maar hoe? Om ze in ledigheid te laten rond-
loopen en haar cijfer met ieder jaar te vergrooten.
i Wij zijn nooit voorstanders geweest van een bestuur,
dat door verscheidene personen wordt uitgeoefend , zelden ,
ja bijna zouden wij durven beweren, nooit hebben wij
daaruit iets goeds zien te voorschijn komen. Eén man,
één enkel man, het gewigt der zaak besefïende, moet
A opstaan; één man, doordrongen van het stelsel van den
l nooit genoeg te roemen stichter en van het grootsche en
hoogst nuttige zijner plannen. Dezen man moge een raad
van toezigt worden ter zijde gesteld over financiële