HomeBeschouwingen over de belangen onzer nationale nijverheidPagina 30

JPEG (Deze pagina), 628.29 KB

TIFF (Deze pagina), 6.21 MB

PDF (Volledig document), 27.35 MB

28
wierden, zouden wij dan niet wel daarbij varen? En
nu zou het niet alleen niet onverschillig, maar zelfs in áeó
vaowleel van het algemeen zijn, indien de werkloonen
waarover wij te beschikken hebben, niet Mew, maar
elclcrs wierden uitgegeven: - dat gaat immers niet op. 1
Laten ons eens voorstellen eene inrigting, eene
katoenspinnerij b.v., die om den drang der omstandigheden
niet werken kan, maar toch een gedeelte van haar per-
soneel in dienst moet houden en te eten geven. Nu
zal de fabriekant het een of ander werk hebben te verrigten,
waartoe handen noodig zijn; is het nu niet eenvoudig
en rationeel, dat hij daarvoor, zoo mogelijk , de menschen
bezigt, die hij anders toch te eten moest geven? Hij zal
zeggen: /1 voor die portie eten, die ge ontvangt, zult ge
mij dat werk leveren." -­ 11 Neen", zou de staathuishoud-
kunde, naar het stelsel van vrijgevigheid, zoo als men
het in praktijk wil brengen, beweren, ndat gaat niet ; wij
willen eerst eens beproeven of wij voor onze buiten- g
landsche vrienden niet hetzelfde werk, maar voor wat
minder eten, kunnen verkrijgen? Het is in waarheid ·
eene fraaije leer, het geldt hier wel: Vïeevzá Zes [win-
cäpes, péwisse Ze mmzde!
'Wat zou men wel zeggen van iemand die eene ii
inrigting bestuurde, waartoe een zeker getal leden de _
bijdragen hadden geleverd en nog verpligt waren te 5
leveren, terwijl een gedeelte van hen, een gedeelte dat
werken wilde doch geen arbeid kon vinden, gebrek leed,
dat zoodanig bestuurder dan heen ging, en trachtte hun