HomeDe koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, inzonderheid in betrekking tot MiddelburgPagina 10

JPEG (Deze pagina), 712.46 KB

TIFF (Deze pagina), 6.19 MB

PDF (Volledig document), 18.74 MB

a I
l()
,,`De Suikerveilingen hebben geregeld vijfmaal in het jaar
,, plaats, op gezette tijden, daarop kan geen inbreuk worden
,, gemaakt door het houden van eene kleine veiling te Middel-
,, burg, te gelijk met de najaars-Kofüjveiling."
,, De Suiker te Middelburg aangevoerd, kan niet een ge-
,, heel jaar blijven liggen, om die in eene najaarsveiling op te
,, nemen, daar het artikel aan achteruitgang Gll waarde­ver­ Q
,, mindering onderhevig is, en dus die maatregel tot groot na- jl
,, deel van ’s Rijks schatkist zou strekken."
Indien wij aan deze argumenten alle mogelijke regt la.ten
wedervaren, door derzelver waarheid, geheel geïsoleerd be-
schouwd, toe te stemmen, dan blijft toch nog altijd de vraag
over: Kon aan Middelburg het verlies niet vergoed worden
dat die stad daardoor leed? Gewis kon dit, door aan Mid-
delburg, in verhouding tot de aanvoeren aldaar, ook eenmaal
’s jaars, ja, al ware het om de twee jaren, eene der perio-
dieke Suikerveilingen te gunnen. Meer dan eens is dit ge-
vraagd, maar altijd werd hetzelfde antwoord vernomen; het
was, of dat daaraan eigenaardige moeijelijkheden verbonden
waren, of dat het tijdstip nu niet gunstig was om in den
aangenomen regel verandering te brengen, of dat de zaak
rijpelijk zou overwogen worden, of iets anders even onbedui-
dend en even ontwijkend. Eenmaal zelfs (Missive 1 Junij 1852)
heeft de Maatschappij er op gewezen, dat er in Zeeland geene
raffinaderijen waren en daarom geen concurrentie van de con-
sumtie te wachten was, terwijl de noodzakelijkheid om de in-
koopen voor speculatie te Middelburg te doen, de speculanten V
zou terug honden. Vlij deelen dit argument tegen de Suiker- ¢`«.
veilingen te Middelburg eenvoudig mede, het zou ons niet
moeijelijk vallen hetzelve te wederleggen, doch dit zou ons tot
al te groote uitvoerigheid leiden, wij laten die wederlegging
over aan het gezond oordeel van zaakkundigen. Intusschen liet
men het onregt bestaan, men meende dat een beroep op de
Statuten der Maatschappij, ter handhaving van ons regt, veel
te ver getrokken was en niet strookte met de inzigten der lte-