HomeMijn advies aan den Minister van koloniën nader toegelichtPagina 4

JPEG (Deze pagina), 818.06 KB

TIFF (Deze pagina), 6.58 MB

PDF (Volledig document), 10.28 MB

4 MLTN Anvims AAN DEN MINISTER VAN I<OLON1àN
tegenover Atjeh worden bestuurd, zijn geheel andere dan die.
welke bij ons eerste optreden aldaar ons gedrag bepaalden.
_ lk zal mij wel wachten deze laatsten in het debat te brengen,
zoolang de Regeering geheimhouding der overgelegde stukken ;
noodzakelijk acht. Zij schijnen mij ook van alle belang ont- ·
bloot, waar het eenvoudig de vraag geldt, welk richtsnoer voor
onze handelingen wij thans behooren aan te nemen. Maar
zelfs indien dit niet het geval was, indien ik eenig verband j
kon waarnemen tusschen de beginselen vóór Februari 1874 door §
ons opgevolgd en die wij later hebben toegepast, zelfs dan nog j
zou een beroep op de eersten hier zijn misplaatst. l
Naar aanleiding van de interpellatie, in de zitting der Tweede
Kamer van 31 Maart 1874 door den Heer Messchert van Vol-
lenhoven tot de Regeering gericht, gaf ik de Kamer breedvoerig j
inlichtingen omtrent de gewijzigde omstandigheden, waardoor
onze politiek op Noord-Sumatra werd beheerscht. Het bericht i
van den Regeerings-commissaris, dat de toestand van Atjeh hem ·
belette goede gevolgen te wachten van een Traktaat, gelijk tot
dusver was beoogd, dit bericht lokte een nieuwe instruktie uit, j
die met machtiging des Konings en na raadpleging met den ;
Raad van State vastgesteld hein den 2d<>¤ Februari 1874 werd
geseind ‘.
De zaak van Atjeh trad daarmede een nieuwe phase in. lk
legde de stukken over, die op het afgeloopen tijdperk betrek-
king hadden en gaf daardoor de aanleiding tot het driedaagsch
debat in comité­generaal. Van dit debat getuigde de Heer j
Heydenrijck, dat hij een indruk had ontvangen, gunstiger voor
het ministerie dan hij gedacht had. Ook de Heer van Houten
verklaarde, dat de Regeering versterkt uit het debat was ge-
treden, de oppositie verzwakt. ln de Eerste Kamer, nadat deze s
van de overgelegde stukken had kennis genomen, liet de Heer ,
Cremers later zich uit in denzelfden geest. Hij zeide: "hier i
"op het Plein is veel meer gedaan om den oorlog te vermijden
"dan ginds in de Oost" 2.
Zoo ik op deze getuigenisseii een beroep doe, het is omdat
zij de niet-ontvankelijkheid aantoonen der beschouwingen over i
l Den 26sten September deelde ik deze instruktie mede. lk ontleende
haar aan het Bijblad 1873-74 pag. 1135. De brief van den Regeerings­
commissaris is aldaar te vinden pag. 1360.
" Bijblad, pag. 1245, 1253; Eerste Kamer, pag. 267.
l
i