HomeMijn advies aan den Minister van koloniën nader toegelichtPagina 10

JPEG (Deze pagina), 850.49 KB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 10.28 MB

10 MIJN ADVIES AAN DEN MINISTER VAN KOLONIEN
beraadslaagde over de ontvangen bevelen om door krachtig of-
fensief optreden de beëindiging van den oorlog te bespoedigen,
dit plan eenstemmig ontraden en tot handhaving en bevestiging
der ingenomen positie geadviseerd.
Bij de bestrijding van mijn advies heeft men de verovering
van Toenong aangeprezen, waar men meent het brandpunt van
den tegenstand te kunnen plaatsen. Maar op de vraag, waar
Toenong te vinden is, erlangen wij slechts een zeer onbestemd
antwoord. Onze topografische kennis omvat niet meer dan het
terrein, dat wij bezetten , en wij zijn dus evenzeer in ’t onze-
kere omtrent de ligging van Toenong als omtrent het beweren,
dat daar de vijand in het hart te treffen is. Overal, waar wij «t
de Atjehers op onzen weg hebben ontmoet, bij Baros en Sing-
kel evenals in Atjeh-proper boden zij hardnekkig tegenstand.
Heeft men wel bedacht, welke moeilijkheden, zoo Toenong
eenige strategische beteekenis heeft, zich zullen opdoen om met
het noodige personeel en materieel die plaats te bereiken en de
troepen op die11 afstand van onze hoofdvestiging langs onge-
baande wegen van het noodige te voorzien?
En al waren deze bezwaren te overwinnen, op welken grond
kan men verwachten , dat de inneming van een versterking te
meer zal opleveren resultaten, die zelfs niet door de verovering
van de aloude verblijfplaats der vorsten zijn verkregen?
Naarmate er minder grond bestaat voor deze verwachting, is
uitbreiding zuidwaarts voor ons aan grooter gevaren onderhevig.
Als thans reeds door de eisehen van Atjeh ons leger is ver-
zwakt, hoeveel te meer zal dit het geval zijn, wanneer onze
ruimere positie grooter troepenmacht vordert. Indien de beperkte
stelling, verleden jaar door ons bezet, 4000 man behoeft om te
worden verdedigd, en dit getal bezwaarlijk door het leger kan 1
worden afgezonderd, hoe moet het dan gaan, wanneer ons gezag
over een gebied, dat zich nog eenige uren verder uitstrekt,
moet worden gehandhaafd? En wat hebben wij met die uitbrei-
ding gewonnen in vergelijking van de 900 geometrische mij-
len, waarover Atjeh zich uitstrekt? Wij winnen slechts ver-
laten grond en zijn vatbaar voor grooter verliezen.
Sedert men van de meer beperkte vestiging is afgeweken,
brengt de telegraaf ons telkens berichten, die getuigen, hoezeer
onze kwetsbaarheid is vermeerderd en met welke vaardigheid ·
de Atjehers daarvan weten partij te trekken. Het overvallen
van de benting Tiampagger en het in de pan hakken van het