HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 8

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 8.56 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

6 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
hoorigen de edeler gevoelens, die toch bij alle dapperen aanwezig zijn,_
kunnen opwekken, om de minder edele te onderdrukken en den oorlog
niet tot een hardvochtig handwerk te maken.
De Luitenant Generaal _
Adjudant des Konings in buitengewone dienst, i`
Kommandant van het Oost­1nolisch Leger,
J. VAN SWIETEN.
Dat die circulaire niet overbodig was zou door menig feit uit onze
0ost·Indische krijgsgeschiedenis gestaafd kunnen worden. Een, na
den opstand van Bondjol, bij het gouvernement ingediende nota, zou
de grieven van eene door de losbandigheid der soldaten tot het uiterste
gebrachte bevolking doen kennen; en in Mei 1846 schreef de toen-
malige minister van koloniën aan den generaal H. J. J. L. ridder de
Stuers: >>De bijzonderheden der Sumatrasche krijgsbedrijven zullen
wel met de meeste worstelingen van dien aard gemeen hebben, dat
zij den menschenvriend met weemoed en afschuw, den regtvaardige
met verontwaardiging vervullen. De strijd tusschen twee legermag-
ten kan gevoerd worden met ridderlijke menschlievendheid, maar
de strijd tusschen een volk, dat zijne onafhankelijkheid verdedigt en
degenen die het van dit kleinood willen berooven, kenmerkt zich mees-
tal door verbittering, moorddadigheid en laaghartigheid".
Dat die circulaire goede vruchten heeft gedragen, de uitstekende
krijgstucht en goede geest, waardoor onze expeditionaire troepen zich
thans zoo gunstig onderscheiden, kunnen het getuigen. De steller van
die circulaire kon voorzeker niet vooruitzien, dat het hem dertien jaren
later gegeven zoude zijn , die beginselen in praktijk te brengen, maar
dat het hem ernst was verzoening in stede van verwoesting aan te
brengen >>en den oorlog niet tot een hardvochtig handwerk te maken," .
is in Atjih gebleken. _
De taktiek, niet alleen door de bevelhebbers onder het beheer der ’
Oost-Indische Compagnie, maar reeds veel vroeger bij de nederzettin-
gen der Maleiers >>dat bij uitnemendheid koloniseerend volk", in den
Archipel gevolgd, bestond gewoonlijk in het zich vestigen aan den oever i
der zee, het zich meester maken der bevaarbare wateren en dan uit
te zien naar de dingen, die komen zouden. Een goed gekozen punt
aan of in de nabijheid van het strand of de monding eener rivier,
zooveel mogelijk onneembaar gemaakt ­- ’t zij de vestiging met
vredelievende dan wel met oorlogzuchtige bedoeling geschiedde ­­- een l
punt, waar men zich van al het noodige voorzien en de gemeenschap . l
tusschen het binnenland en de zee kon afsluiten of bemoeilgken, was
toen, en blijft ook nu nog een hoofdvoorwaarde, om de gevolgen van
de genomen maatregelen en den verderen loop der zaken vrij rustig l
te kunnen afwachten. Die gevolgen waren van verschillenden aard. Y
Door meester te blijven van den in- en uitvoer, bleef men niet alleen