HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 66

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.53 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

., j
ill ë
4
li i 64 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
l der bevolking. Zoowel de hoofden van Lepong als van Loeng (plus ·i
g minus 2 uren van Koerong-Raba), begeven zich met vertrouwen op t_
ons grondgebied en melden zich aldaar aan.
Heden vervoegden zij zich bij den militairen kommandant te Koerong­
Baba om te spreken over de onderwerping van hoofden uit de IV Moekims,
jj die tot nu toe gestreden hebben aan de zijde van Panglima Polim en
Toekoe Tjihik Lamnga. Alles doet verwachten, dat de hiervoren be- "
‘ schreven operatien gunstige gevolgen zullen hebben en dat een einde is
W gemaakt aan den twijfelachtigen toestand, waarover wij ons ten opzigte
van de bevolking der IV Moekims bezorgd gevoeld hebben. =;
Na het vestigen van een militairen post aan de Raba-rivier nabij de
baai van Koerong-Raba bestond er geene reden meer om de zich aldaar Z
Tj bevindende kolonne langer in die streken te doen vertoeven." · .i
....................... E
»Deze patrouillering op groote schaal heeft mij de overtuiging ge-
schonken dat de doorloopen landstreek van vijanden zuiver is en dat
` met uitzondering van een enkelen maraudeur geen Atjeher zich meer
daarin vestigt.
Als een gevolg daarvan is de communicatie geopend tusschen Biloel­
zuid en Boekit­Daroe en marcheren thans patrouilles van 30 bajonetten 1
j ongehinderd tusschen die beide versterkingen.
»‘ Door eene ijverige patrouille-dienst zal het terrein tusschen onze linien
T thans zuiver worden gehouden, opdat onze vestiging omringd wordt door
jij eene breede strook gronds, waarop zich geen vijand durft te vertoonen.
lj Die toestand bestaat thans met uitzondering tusschen de posten
Kotta­Alam, Pango en Oleh-Karang."
Toch bleef die vijand voortdurend in de weer ons afbreuk te doen, i
zoo door het overvallen van transporten en ’t bekruipen der postenketen
l als door ’t brandschatten van de onderworpen bevolking, die soms ge- p
noodzaakt werd züne aanvallen voor geld af te koopen, waardoor op ä
hun blijvende goede gezindheid niet onvoorwaardelnk te rekenen viel. l i
Nog ontleen ik aan een rapport van den 3OS'°€¤ Juli:
lv >>De Imam van Lepong berigtte eergisteren, dat hij een paar dagen ;
geleden een brief had ontvangen van Habib Abdul Rachman, waarin z
° deze hem dreigde met een tuchtiging te eeniger tijd, wanneer hij de
züde van het gouvernement had gekozen. Het schijnt, dat sedert onze
vestiging te Kroeng­Raba te Lepong een betere geest voor ons voor- i
heerscht. Ook in de IV Moekims is zulks het geval, nu zij door de
I laatste operatien beter beveiligd zijn tegen invallen van den vijand.
Men begint zich daar ook meer toe te leggen op den veldarbeid, .
wat in Marassa en de VI Moekims nog steeds te wenschen overlaat.
De bevolking daar neemt niet toe en geneert zich bijna uitsluitend
'V met kleinhandel en vischvangst, die haar groot voordeel aanbrengen.
De handel te Oeleh-Leh neemt merkbaar toe; ook te Penajoeng. Ik heb