HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 61

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.54 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

i DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 59
der tweede linie aangevuld en moesten gedeeltelijk door de mobiele
J bataillons geleverd worden, zoodat er -al viel aan geene offensieve ope-
, ratiën te denken - genoeg te doen overbleef. En waarlijk men had werk
· genoeg, zoowel om de vrij talrijke stroopende benden terug te dringen
en onze convooien te beschermen, als om de reeds zóó uitgebreide
postenketen hier en daar nog te vermeerderen of te verbeteren en door
‘ het aanleggen van wegen een veiliger gemeenschap te verkrügen. Bij
I dat alles leverden de ontoereikende middelen van het transportwezen en
A de koeliedienst ernstige bezwaren op. Er moest een einde komen aan
de dagelijks hernieuwde klachten. Te lang reeds had men de gebreken
· en schadelijke gevolgen van die onhoudbare inrichting leeren kennen om
niet te trachten ze op beteren voet te regelen en aan hare bestemming
‘ te doen beantwoorden. BQ gouvernements­besluit van 5 Juli 1876
I werd tot een organisatie overgegaan voor het opzicht voerend personeel
_ over 2500 bannelingen in 5 ploegen van 500 man verdeeld. Elke ploeg
ingedeeld onder 1 kapitein, 2 luitenants, 1 adjudant-onderofficier, 11
Europeesche sergeanten en 20 inlandsche korporaals. De tijd zal leeren
of hierdoor de gewenschte verbetering verkregen is.
i_ De vijand ging steeds voort onze liniën te verontrusten, terwijl door
I de zware regens in de eerste dagen van Juni gevallen enkele van onze
versterkingen en de pas aangelegde wegen veel geleden hadden, de
i gemeenschap hier en daar tüdelijk verbroken en het terrein bij Bt. Daroe,
` Djempit, Ketapang doewa, Bt Seboen, Pakan­Badak en Lampagger
i geheel of gedeeltelijk geïnundeerd werd. In de IV M., waar ook de
koerong­Raba buiten hare oevers was getreden, stond het water tot
, een halve mans hoogte op de sawahs en moest de communicatie met
° kleine prauwen of vlotten geschieden. Ook het werk aan de spoor-
Vi baan werd zeer bemoeilijkt. Men had alzoo met velerlei bezwaren te
" kampen.
De ruimte voor deze bijdrage tot de Indische krijgsgeschiedenis, mij
zoo welwillend in dit tijdschrift afgestaan, veroorlooft niet de büna
dagelijks voorvallende gevechten op te noemen of daaromtrent in eenige
bijzonderheden te treden. Om er zich eenig denkbeeld van te vormen,
laat ik hier een fragment uit het dagverhaal van de maand Juni volgen.
......................
>>Mogt de geledene schade aan de borstweringen op een enkel punt
tot het nemen van voorzorgsmaatregelen leiden, 0. a. te Biloel­zuid,
waar de vijand herhaaldelijk onze hoofd- en vóórversterkingen trachtte
te bekruipen, en waar dan ook de bezetting op den 4den Junij tijde-
: lük werd versterkt met een kapitein, een luitenant en vijftig minderen,
op de andere punten bleek dit onnoodig te zijn en kon de vijand, die
zich hoofdzakelijk bepaalde tot het beschieten onzer posten te Kotta­
g Pohama, Koeala-Gigieng en Lampriet, op behoorlijken afstand gehou­»
E den worden,
ë