HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 6

JPEG (Deze pagina), 944.25 KB

TIFF (Deze pagina), 8.43 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

4 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
komen ernstiger zaken voor dan om, na een toegediende tuchtiging,
zich bij tüds terug te trekken en het land te verlaten, of na het dem-
pen van een opstand ons prestige te herstellen en de overmacht on-
zer wapenen te doen eerbiedigen. Leerden ons geschiedenis en erva-
ring met hoeveel tegenspoed de expeditiën der beide eerste cateoriën ii
kunnen gepaard gaan, bij een oorlog als deze heeft men met nog
grooter bezwaren te kampen en nog meer hinderpalen te bestrijden.
Er behoort meer toe, om in een geheel onbekend vijandig land voet
aan wal te zetten en door te dringen; eene oorlogzuchtige en ten
strijde uitgeruste bevolking ten onder te brengen, zonder door een
noodeloos bloedvergieten of met de brandende fakkel in de hand
have en goed te vernielen, elke toenadering onmogelijk te maken. Er
behoort meer toe dan enkel krijgsbeleid, zich op het overwonnen ter-
rein staande te houden, er zich voor goed te vestigen en een hevig
betwist gezag voortdurend te blijven handhaven. Staatkundig doorzicht,
een verstandig toegeven waar een blind voorthollen niet baat, huma-
niteit zonder zwakheid, geduld en volharding, zijn dikwerf betere
middelen dan vuur en zwaard om een verbitterd volk tot onderwer-
ping te stemmen of voor den vrede te winnen. Klinkt ons de treur-
mare nog in de ooren hoe onlangs de vernielende oorlogstoorts een
twintigtal kampongs in vuur en vlam deed opgaan, de onderstaande ­-
zestien jaren geleden ­ uitgevaardigde circulaire verdient zoo veel te
meer in ’t geheugen te worden teruggeroepen.
MILITAIR DEPARTEMENT.
Cäg U L A I R E_ Hoornkwkimeiz BATAVIA, den 5d°¤ October 1860.
Q8 BUREAU.
NO. ’1.
......... · i
Bij het lezen van de vele goed bewerkte korpsgeschiedenissen, die
het Militair Departement opvolgend zijn aangeboden, wordt men te
midden van het vele goede, dat men daarin vindt, weemoedig getrof-
fen door een tal van daarin vermelde verwoestingen, die eene schaduw
werpen op zoo menige schoone bladzijde.
Men zoekt vergeefs naar den oorsprong van die heillooze gewoonte,
die zoo vele overwinningen en nederlagen doet gepaard gaan met de
vernieling van het weinige wat het volk bezit. Van waar, vraagt men
zich, heeft een leger, dat naar beschaafde en Christelijke beginselen
bestuurd wordt, het regt geput, zoo strijdig toch met het oorlogsregt
van beschaafde volken, om het private eigendom te vernielen en schul-
delooze vrouwen en kinderen of magtelooze grüsaards bloottestellen om
door gebrek omtekomen?