HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 59

JPEG (Deze pagina), 970.86 KB

TIFF (Deze pagina), 8.53 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

Z. DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH• 57
J een half- benevens de één centstukken gaarne werden aangenomen.
Runderen van uitstekende hoedanigheid konden door den sjabandar tegen
30 rijksdaalders het stuk geleverd worden en bamboe, atap of andere
materialen waren in overvloed te verkrijgen. Men naderde al meer en
meer tot elkander, en toen in een vertrouwelijk gesprek met T. Pakeh,
waaraan slechts een paar der meest bevriende hoofden deel namen, door
den heer Scheemaker o. a. gewezen werd op het wenschelijke der onderwer-
ping van panglima Polim, gaf Nja Blang, de sjabandar van Pedir
te kennen, dat zoo lang Abdoe’r­Rahman zich in de XXII M. ophield
· er aan geen onderhandelen te denken viel. Later echter beloofde hij
zich veel goeds van eene beweging en het bezetten van een paar kam-
pongs in die sagi, en de radja beloofde zijn zoon Hassan, die met eene
kleindochter van panglima Polim gehuwd is, als bemiddelaar naar hem
aftezenden, ofschoon hij zich weinig van eene dergelijke zending voorstelde.
Dezerzijds werd dan ook weinig of niets gedaan om hoofden en be­
T volking voor ons te winnen. Had generaal Pel de gelegenheid laten voor-
bijgaan om van den invloed van Rigas vorst partij te trekken, de Indische
Regeering scheen even onverschillig te blijven voor het bevorderen van
zulke pogingen als nalatig in het beloonen van belangeloos bewezen
diensten. Noch den radja van Troemon, aan wiens welwillende tus-
schenkomst zij de onderwerping van menige landstreek aan de westkust
had te danken, noch dien van Edi, reeds in 1873 haar trouwe onderdaan,
noch aan den braven radja van Pasei, die haar herhaalde malen ten
F dienste stond, werd eenige onderscheiding toegekend. Een ridderkruis
E; of enkele gouden medailles zouden hier goed besteed zijn geweest,
vooral toen T. Moeda Angkasa te Kota Radja zijne opwachting kwam
maken aan den militairen en civielen bevelhebber.
De zoo prikkelbare ijdelheid der Indische vorsten is spoedig gestreeld
en eene op eervolle wijze uitgereikte belooning wekt een naijver op, die
niet anders dan ten goede kan werken. ’t Is vreemd dat men, waar
wapengeweld onvoldoende blijkt het doel te bereiken, voor elke handeling
schünt terug te deinzen, ’t zij om vijandig gezinden te winnen, ’t zij de
goedgezinden door gepaste middelen meer aan zich te verbinden of
bewezen diensten naar waarde en bijtijds te beloonen. Als geene politieke
bezwaren van een overwegend belang het beletten is een zoodanig
verzuim niet te rechtvaardigen. Mocht de onverwachte dood van T.
Angkiasa de Indische Regeering althans doen inzien, dat een verzuim
van heden somtijds morgen niet meer te herstellen is.
r
De ingekomen rapporten hadden inmiddels den reeds verkregen indruk
bij den bevelhebber versterkt, dat de thans ingenomen positie aanmer-
kelijk verbeterd diende te worden alvorens het offensieve te kunnen
hervatten.
De meeste veldbataillons konden niet meer dan ongeveer de sterkte

E
l=
jl.
E
P