HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 54

JPEG (Deze pagina), 1.04 MB

TIFF (Deze pagina), 8.50 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

t
ll
l .
H 52 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. L.
T Pedir liet vallen. Hij gaf den controleur Jhr. Kraijenhotï zijn wensch te
kennen, vooral ook ter beveiliging van scheepvaart en handel, om even
j als de vorst van Déli onder het Nederlandsch­[ndische bestuur te wor-
den opgenomen en verzocht dien ambtenaar zijn adres achter te laten, i’
opdat hij later daarover in correspondentie zou kunnen treden. Toen
hij echter, door nauwe banden van bloedverwantschap aan den laatsten
j sultan verbonden, diens belangen omhelsde, behoorde hij tot onze felste
[ tegenstanders en gaf zijn zoon Nja Soleiman het bestuur in handen
om zich geheel aan de oorlogszaken te kunnen toewijden.
H De vertoogen van dezen, de wensch van het meerendeel zijner on- .
derdanen, die den langdurigen oorlog moede werden en de veranderde 1
omstandigheden in Groot-Atjih, schijnen hem tot vroegere meer vrede-
ri lievende denkbeelden te hebben teruggebracht. De benoeming van toe-
l` ankoe Daoed tot sultan en later diens vervanging door toeankoe Has-
^ sim - indien ze namelijk werkelijk hebben plaats gehad - zullen
i wel niet zonder invloed op züne veranderde gezindheid zijn gebleven. ,
[ Bovendien is wellicht de veronderstelling niet gewaagd, dat hij, den
l tegenstand van het stamland op den duur als hopeloos beschouwende,
j zich voor het te laat was, met het Nederlandsch Indische gouverne-
‘ ment heeft willen verzoenen. Hij had althans vóór ons agressief op-
, treden het oorlogsveld verlaten en op den laatsten Februari werd de ,
‘ verklaring van onderwerping, door den vorst op den koran beëedigd,
met zijne handteekening bekrachtigd. Den volgenden dag wapperden
de Hollandsche kleuren van Pedir’s strand; met het verbreken van zijn
l eed, het voeren van de Nederlandsche vlag en het vriendschappelijk §
V· bezoek aan boord van Zr. stoonischip Citadel van Antwerpen ge- ig
A bracht, werden de banden verscheurd, die Pedir aan het stamland ver- T
bonden. De later gezonden bezettingstroepen werden door den radja en ,
E de hoofden goed ontvangen en toen bij het oprichten van onze verster­ ii
{ king de bevolking eene vijandige houding aannam en zelfs klewang­
bouwen werden toegebracht, was echter het zenden van ééne Europee­
sche compagnie infanterie genoeg om de rust te doen wederkeeren, die
, sedert niet verstoord werd. Weldra zou een plechtig gezantschap van
ii den nieuwen vazal te Kota Radja ontvangen en hem later zijne erken-
ning als vorst van Pedir worden uitgereikt. Hoe heugelijk die onder-
il vverping ook zijn moge, mag men er echter niet meer waarde aan j,
hechten dan zij verdient. Geheel ten onrechte toch worden de bewo­ L
ners van de noordkust Pedireezen genoemd, terwijl de invloed van
Pedir bij dien van ’t veel machtiger Gighen nauwelijks is te vergelij­
ken. Endjoeng o. a., dat rechtens de suprematie van Pedir zou moe- _ ,
ten erkennen, volgt meestal de staatkunde van Gighen omdat het door
l dit landschap van Pedir wordt gescheiden.
gj Ook te Samalangan, Pasangan en zelfs te Merdoe schijnt de radja
weinig invloed uit te oefenen; geen van die staatjes heeft dan ook tot
nu toe zijn voorbeeld gevolgd. Wel had de onderwerping van Pedir
i