HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 52

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 8.51 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

‘ _
1 g
in 50 DE TWEEDE ExPEm'1‘1E TEGEN ATJIH.
g Niettegenstaande ons doordringen in het zuiden en de uitbreiding aan
li de defensie­linie gegeven, werd de veiligheid erbinnen, niet verbeterd;
Q die onveiligheid was almede als argument ten voordeele van een meer
agressieve houding aangevoerd, ofschoon statistieke opgaven aantoonen
nl hoe de toen gesneuvelden en gewonden »in geen de minste verhouding
staan tot de talrijke verliezen, binnen de tot beveiliging van Kota Radja
{ opgerichte versterkingen geleden". Waar slechts enkele soldaten nu en
dan van ’s vüands vuur te lijden hadden, bleef thans patrouille noch
j convooigeleide, hoe sterk ook, ongedeerd; nimmer was de gemeenschap
V tusschen onze posten op zulk eene ernstige wijze bedreigd; nimmer had
I men zoo aanhoudend tegen het rloorsluipen van stroopende benden te
waken en zulk een voortdurende krachtsinspanning van de soldaten en
je koelies behoeven te vergen. De hier en daar bestaande goede gezindheid ,
vooral in de Sagi XXVI M. was verdwenen, lijdelijk afwachten of
krachteloos verzet in openbare vüandschap veranderd. Naarmate
g men aanvallend te werk ging en kampongs verbrandde, had mende E
j' bevolking tevens of genoodzaakt om in ’t ongenaakbaar gebergte een toe-
vlucht te zoeken of ze de wapenen in de hand gegeven om de oorlogs- Q
j partij te versterken.
s VVaarom zich met de onderwerping der VI en IV M. niet tevreden
I gesteld? ~­- Waarvoor die barbaarsche verwoesting in de IX moekim?
‘ Waarom zich niet ertoe bepaald, om de kwala Gighen en andere uitwate­ if
‘ ringen in zee door de marine te doen afsluiten , toenhet bleek dat onze
,( strijdkrachten ontoereikend waren om , te gelijk met eene uitbreiding, j
in het zuiden, van de linie koerong Rija­koerong Raba meester te worden?
ä Op deze vragen ­- door velen gedaan -is, voorzoover ik mij herinner, , ‘
i evenmin eenig afdoend antwoord gegeven, als op de vraag, waarom
men een middel onbeproefd laat, dat vooral in Atjih een gunstigen ‘
l uitslag belooft. Jammer dat men daartoe eene schoone gelegenheid
{ heeft laten voorbijgaan, door den radja van Rigas het verzochte vrijge­
leide naar zijn land, even onhandig als onstaatkundig, te weigeren; _ Q
hij toch zou door zijne positie voor ons de geschiktste, en voor de oor-
logspartij de meest vertrouwbare, de als ’t ware aangewezen persoon · ii
kunnen geweest zijn, om met haar in aanraking te komen en onder-
handelingen aan te knoopen, die misschien door de welwillende tusschen-
il komst van zulk eenI man de gewenschte gevolgen konden opleveren.
Vooralsnog is het resultaat van ’t geen de Indische regeering zich had
voorgesteld: >>den vijand naar het binnenland terug te dringen, hem
dáár zooveel doenlijk te isoleren en de communicatie met de zee en
met de naburige kuststaten voor hem af te snijden”, waarlijk niet in
ons voordeel en de toestand na de offensieve operatiën er niet op ver-
l beterd. Niettegenstaande onze schier overal zegevierende wapenen,
kwam dat resultaat in hoofdzaak neer op ’t onzeker bezit van wat
nl meer grondgebied, ten koste van een aanzienlijk verlies aan menschen-
levens en een meer dan verdubbelde doch versnipperde legermacht met