HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 49

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.56 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

TWEEDE EXPEDITIE TEGQN ATJIIJ. 47
en zün naam zal in eere blijven zoolang er gedenkboeken van onze
Indische krijgsgesehiedenis zullen bestaan.
VIII.
Ons agressief optreden tegen Groot­Atjih.
Reeds in ’t voorgaande hoofllstuk hebben wij met dat agressief op-
treden kennis gemaakt en gezien hoe de civiele en militaire bevelhebber,
in weerwil van de vele bezwaren waarmede hij te kampen had, zijne
pogingen gedeeltelijk met een goeden uitslag zag bekroond. Evenwel
was hem bij het doordringen in de XXVI M. de onmogelijkheid ge-
bleken zijn geheele plan ten uitvoer te brengen, en bij het terugkeeren
naar Pango was dan ook zijn besluit genomen, om na het bezetten van
kwala Gighen den uitgeputten troepen eene welverdiende rust te gunnen.
’t Werd hem helaas niet vergund zijn aangevangen werk voltooid te zien.
, Zoodra had de treurmare van zijn afsterven het groote hoofdkwar-
tier niet bereikt of de luitenant­kolonel Engel aanvaardde als oudst-
ii aanwezig hoofdofficier het opperbevel, en beijverde zich om door een
onverwijlde voortzetting der operatiën ongewenschte indrukken tegen
if te gaan en nadeelige gevolgen te voorkomen. Dit treffend sterfgeval
ïï toch had de aan ons gezag onderworpen Atjineezen niet minder
sï indruk gemaakt dan bij de troepen en civiele beambten. Op som-
mige plaatsen was het noodig de bevolking gerust te stellen en den
ons toegedanen hoofden het denkbeeld te ontnemen, dat het Holland-
I sche leger, evenals bü den dood van generaal Köhler, het land zou i
ontruimen, als wanneer zij alles van de wraak der oorlogspartij te
{ duchten hadden. Redenen genoeg voor den overste Engel om zich zoo
spoedig mogelük naar het oorlogsterrein te begeven en met kracht de
aangevangen beweging voort te zetten. Onmiddellijk met het 8S*C veld-
bataillon naar Tongah opgerukt, had hij, na eenige onbeduidende scher-
mutselingen, den 2’1Sl8¤ het bivak bij Silang betrokken en de vol-
gende dagen besteed om posten te Pohama en aan de kwala Gighen
L op te richten, waardoor de gemeenschap van het binnenland met de
zee langs de koerong Tjoet werd afgesneden. Hoe verder wij evenwel
in ’t zuiden en ’t noordoosten doordrongen, hoe meer eene hardnekkige
verdediging toenam, hoe overmoediger de Atjineezen zich betoonden.
Onze posten aan genoemde rivier werden onophoudelijk bestookt, en
E om den ondernemenden vijand naar eisch het hoofd te bieden moesten
lf nog verschillende tusschenposten worden aangelegd, die - ook met
het oog op de onderwerping van den imam van Tjade - wel noodig,
ii maar voor het concentreeren onzer strijdkrachten even nadeelig waren'.
' i Meer zuidwaarts lieten de benden uit de XXII M. ons geen oogen-
iï _ blik rust. Niettegenstaande de sterk bezette punten te Ka_joe­leh en
gi Atoa, hadden er dagelijks gevechten met onze patrouilles en convooien
l
l