HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 46

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 8.53 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

ll
44 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
j Vandaar werden de operatiën noordoostwaarts voortgezet en met de
bemachtiging van Ka_joe­leh, Lambaroe en Pagger­a_jer Mesigit bekroond.
E Hierdoor was de aansluiting aan de ooster­linie nabij Longbatta Z. ver-
kregen en onze overal overwinnende troepenmacht keerde op den 7d@¤ F
binnen Kota Radja terug. LM
Qi Na een zegevierenden tocht van tien dagen, ­­ waarin echter nauwe-
i lijks 4 uren gaans waren afgelegd - had de generaal Pel, met een
verlies van slechts 5 dooden en 59 gewonden, zich van de IX M. met
l een klein deel der XXII M. meester gemaakt en op vier punten, te
i Bi. Daroe, Beloel, Atoa en Pagger­ajer Mesigit, bezettingen achterge­ j
j I laten die uit de opgeheven posten der tweede linie genomen werden.
I De geheele sagi der XXV M. was voorloopig in onze macht; nergens ig
;Q,·‘ had de vüand stand gehouden, en waar hij trachtte het te doen, ge-
` voelige verliezen geleden. De bevelhebber begreep van die gunstige
omstandigheden gebruik te moeten maken om door een inval in de
p XXVI M. en het doordringen tot de koerong Rija, het overige gedeelte
’ van zijn plan te voltooien.
Te nauwernood had hij zich eenige dagen rust gegund, of Pel stelde
zich op nieuw aan het hoofd zijner troepen. VVeder rukten drie co-
lonnes ten aanval op, en wel:
4 de rechter- ­- het ’I3d<> veldbataillon, een bataillon barissan en eene
. sectie artillerie ­- onder den majoor B. E. Mekern, stroomopwaarts
4 I langs den linker Atjih­oever; t
E de midden­colonne, uit het ‘l2d¤ veldbataillon, een bataillon barissan
i en twee sectiën artillerie gevormd , die, door den majoor Jeltes aange-
voerd, in last had over Kota­Alam en den rechter rivier­oever volgende
den vijand tot tegenover Longbatta Mesigit terug te dringen; en
de linker­colonne ­- het rechter‘ half 3de bataillon en eene sectie
artillerie onder bevel van den majoor Diepenheim -­­- die als linker- I
J {lankdekking de Atjineezen in den omtrek van kampong Pinang moest
in bedwang houden (`).
Aanvankelijk ging de tocht naar wensch; met een gering verlies had
men twee versterkingen genomen en na eenigen wederstand tegen het
« vallen van den avond Pango bezet, waar een post werd gevestigd, als
zijnde die kampong aan een der weinige doorwaadbare plaatsen van de
i groote rivier gelegen. Dienzelfden dag echter (13 Februari) had in
het zuiden een voorval plaats dat een krachtig voortdringen in de aan-
gegeven richting uiterst moeilijk maakte. In den vroegen morgen na-
melijk had de kapitein J. M. E. van Swieten met twee officieren en
57 fuseliers (waaronder 10 ongewapend) Kota Radja verlaten om het
linker half (ide bataillon te Atoa te versterken. Op het onverwachtst
· werd deze troep door eene sterke vüandelijke bende, die zich in het
i dicht begroeid terrein verscholen had, omsingeld en aangevallen. Eene
‘ wanhopige worsteling volgde, waaraan slechts één officier (de ’1S*¤ luit.
(*) Koloniaal verslag van 1876. .