HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 41

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 8.55 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIII.
kennen. ’t WVaren niet meer de Atjineezen. die de bewondering onzer
flinke soldaten hadden opgewekt, toen zij zich met de klewang in de
vuist op hunne bajonnetten wierpen, of als verdedigers optraden van
Tiban, Lemboe-Langoegoep, Soerian en den grafheuvel; en hunne te-
genstanders ..,...... waren toen. meer te duchten dan thcms.
` Op staatkundig gebied had tot aan het einde des jaars weinig ver-
andering plaats. Was de radja van Pedir naar zijn land teruggekeerd,
met het voornemen zich aan de oorlogspartij te onttrekken, die van
Merdoe daarentegen had nieuwe hulpbenden aangebracht en T. Moeda
Bajot van Lamkapang, een der ons meest vijandig gezinde hoofden,
ging voort de bevolking in de XXVI moekim op te ruien, waar alles
even duur en de amfioen zelfs tot 35 dollars de bal gestegen was. Ook
Habib Abdoe’r Rahman stelde pogingen in ’t werk om de oorlogspartij
te ondersteunen, ofschoon hij bij den vorst van Quedah en andere
kleine staten van het Maleische schiereiland geen de minste hulp en
weinig sympathie voor de Atjineesche zaak had gevonden. In Grooti
Atjih zelf sehünt hij een onbeduidenden invloed op den gang van
zaken uit te oefenen.
Inmiddels deed de toenemende sterfte en evacuatie van de door ziekte
en ongemak geteisterde koelies en dwangarbeiders , dat even gebrekkig
en belemmerend als onmisbaar transportmiddel, zich dikwerf op veront-
rustende wijze gevoelen, zoodat de gestadige aanvulling van arbeids-
krachten der Indische regeering niet minder zorg baarde, dan die voor
de strijdkrachten werd gevorderd. Dit deed op andere middelen be-
dacht zijn; en hoewel eene poging om in China zelf vrije arbeiders aan
te werven niet aan de verwachting had voldaan, werd door tusschcn«
komst van Chineesche handelaren in het steeds toenemend gebrek aan
werkkrachten voorzien. ’t Gelukte al spoedig een zóó groot aantal
Werklieden en vräe arbeiders over te halen zich in Atjih te vestigen,
» dat zoowel een bestuur van hun eigen landaard ingesteld, als deszelfs
i werkkring en rechtsmacht geregeld konden worden.
Bij dezelfde ordonnantie (10 November 1875) werd den militairen
en eivielen· bevelhebber, ­­ met bevoegdheid tot overdracht- eene
gelijke rechtsmacht over alle rechtstreeksche onderdanen van het gou-
vernement in Groot­Atjih toegekend, als krachtens de bestaande ·ver­
ordeningen aan de residenten toekomt.
ne maritieme rapporten behelsden weinig nieuws.
Buiten hunne bemoeiingen op politiek terrein, bleef de zeepolitie in
al haren omvang aan de zorg der stationscommandanten toevertrouwd
en- het kustgebied werd herhaaldelijk door een of meer oorlogsstoom·«
schepen bezocht, >>zoo tot handhaving der blokkade op het nog niet in
onderwerping gekomen gedeelte, als tot het vertoonen der vlag in de
staten, die ons gezag hebbenïerkend." Tegen verboden gemeenschap
of handel- werd even streng gewaakt als tegen de afpersingen en andere
onrechtmatige handelingen-, waaraan sommige vaartuigen ­ vooral op