HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 38

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 8.46 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

l
ll
l§ .
36 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
; en om het te bereiken schünt de militaire en civiele bevelhebber van
het beginsel te zijn uitgegaan: het Mibouwsche alsmede Ketapang doea
te bezetten, in Lamtermin en zoo noodig nog meer zuidwaarts eenige
lj sterkten aan te leggen en Bital om te trekken, gepaard aan eene be- l
dreiging uit Sinangri ten einde den vijand te noodzaken -- hoe geducht die 2
tij 4 stelling ook versterkt mocht zijn ­­ naar de VI moekim de wijk te nemen. ‘
Vervolgens wilde hij zich van Bital meester maken en langs de zuidzijde
opereerende, de bergpassen bezetten om de gemeenschap tusschen de j
~ t VI en IV moekim at te snijden. Mocht eerstgenoemde moekim niet ·
V j spoedig in onderwerping komen, dan meende hij ze daartoe zoowel aan
4 de landzijde als uit zee met geschutvuur te kunnen dwingen, om zich
, , daarna oostwaarts te wenden, waar hij door de betere gezindheid der
gl` _ sagi XXVI M. minder tegenstand verwachtte en op die wijze de lün
koerong Rija­koerong Raba in züne macht te krijgen.
ll Hoewel dat plan op zichzelf genomen een uitstekend middel aan-
v , bood om Groot­Atjih zooveel mogelijk te isoleeren, bijaldien men dezer-
zijds bij machte was en bleef die uitgestrekte linie behoorlük te kun-
nen bezet houden, vraagt men zich tevens af, waarom de generaal
zich liet verleiden -­­ in tegenspraak met zijne vroeger geuite bedoe-
4 ling ~- zich zóó ver naar het zuiden uit te breiden en een posten-
l keten in ’t leven te roepen, die hem al aanstonds groote zorg en moei-
j lijkheid berokkende. i
Zonder nu de redenen, die de Indische regeering tot deze verandering
Q van zienswijze hebben geleid, vooralsnog aan eenig oordeel te on-
derwerpen, mag hier evenwel niet onopgemerkt blijven dat het vol-
gende motief`, in het Koloniaal verslag van 1876 opgenomen, >>de
noodzakelijkheid van otfensieve operatiën, deed zich te krachtiger ge-
voelen, naarmate de vijand tegen het einde des jaars overmoediger
4 werd," minder juist met de geschiedenis overeenkomt; ’t geen trou­ j
wens door dat verslag zelf vrij duidelijk wordt aangetoond. l
Wij lezen toch: op den 11d ¤ November ontvangt men bericht, dat 1
een aantal Atjineezen zich op 400 passen beoosten Kota Alam trach-
ten te nestelen; ­­ zij worden echter door een sterke patrouille ver-
l dreven. Vier dagen later wordt een poging van den vijand verijdeld
4 om bij Sinangri de postenketen te forceeren, alles zonder eenig ver-
lies aan onze zijde, en den S2‘2.S'¤¤¤ zoowel een aanval op Lamprit als
een >>stouten aanslag" op Longbatta Mesigit afgeslagen, waarbij slechts
twee ofücieren en elf minderen werden gewond. Dertien man buiten
gevecht was het zwaarste verlies ons door >>den overmoedigen vijand"
toegebracht !
De herhaaldelijk sedert lang aangekondigde algemeene aanval doet
i evenmin van zhn overmoed blijken, en loste zich in den vroegen mor-
gen van den 2G=¤"‘ in een vrij onschuldig vuurgevecht op; want bij
het >>aangrüpen van onze oosterlinie over hare geheele lengte, door on-
stuimig voorwaarts dringende benden," die echter »reeds om 9 uur in
» l