HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 34

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.46 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

..»« ~ · E- e W · D, T
32 DE TWEEDE EXPEDiT1E TEGEN ATJIH.
l 1
nen zich bü ons aantesluiten, waarschijnlijk in de hoop om, met
1 voorbijgaan van den mededinger, door de Indische regeering als
panglima erkend en bevestigd te worden. Het blijkt niet, dat aan dien
wensch tot hiertoe gevolg is gegeven, ofschoon laatstgenoemde, die tevens
’t meeste gezag in de sagi uitoefent -- in een schrijven (brief van
l 19 Februari 1874) - op het aannemen van zijne onderwerping terug-
ll kwam. Vrees voor wraak schijnt hem echter van beslissende stappen
i terug te houden, zijnde het wantrouwen bij de oorlogspartij reeds {
à in die mate opgewekt, dat ze hem niet meer als hoofd der IX M. er- l
, kende. Nu moge de geest onder de bevolking in dat gewest afkeerig j
‘ van den oorlog, alsmede verscheidene hoofden ons goed gezind en tot · ,
z onderwerping geneigd zijn, de bewijzen laten zich lang wachten;
i en een Rajoet Lamkapping, T. Kerkoem, T. Atoa en 'l‘. Tjihik
ä Lamnga (schoonzoon van T. Nanta) behooren nog altijd tot onze hard-
nekkigste tegenstanders.
‘ Nopens onzen meest energieken vüand, toeankoe Hassim, zij hier
nog vermeld, dat hij dezelfile persoon is, die in ’t jaar 1865, door
de expeditionaire macht onder de bevelen van den kapitein luitenant
ter zee P. A. van Rees (thans schout bij nacht), als toeankoe Itam i
uit Poeloe Kompei werd verdreven. Na zich met eenige volgelingen te j
Modjopaït aan de soengei Djoe, benoorden Tarniang gevestigd en een
. peperplantage te hebben aangelegd, zien wij hem gelijk een Atjineesche l
. Todtleben als de voornaamste schepper en leider der verdediging op-
, treden.

Van onze zijde ging men intusschen voort de ingenomen stelling te
consolideeren en de onderlinge gemeenschap der posten te verbeteren. ,
Nabij Oeleh-leh werd in de kampong Sinangri een nieuwen post geves­
tigd om het volk van T. Nanta te beletten de kwala Tjangkoel (Na- j
ridji) tusschen Maraksa en de VI M. te doorwaden en hunne stroop- _ ­
tochten ten koste van onze daar gevestigde bondgenooten ongestraft te °
. volvoeren. l
Oeleh­leh, thans reeds onze voornaamste haven- en stapelplaats waar i-
allengs kleinhandelaars en nijvere Chineezen zich vestigen, terwijl de °
recde meer en meer door handelsvaartuigen wordt bezocht, is waar-
schijnlijk bestemd eene belangrijke rol in de toekomst van Atjih te
vervullen. De steeds toenemende bevolking kan wellicht van daaruit
een heilzamen invloed op het binnenland uitoefenen, den Atjinees toonen ii
dat ook zijn land voor ontwikkeling en welvaart vatbaar is en betrek- ï
kingen aanknoopen, die later op handel en zeevaart gunstig kunnen
werken. ’t Is eene vestiging, die aan zoo vele anderen uit het eerste
tijdperk der Oost­Indische Compagnie doet denken en later de pijlers
werden van haar bezit en gezag in den Archipel.
Sedert geruimen tijd reeds waren verontrustende geruchten omtrent ·
äl