HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 33

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.45 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

l
. DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 31
` zonder gevolg bleef. Toen de vorige panglima van dit gewest zijn
l einde voelde naderen benoemde hij zgn oudsten zoon T. Nja-Abas tot
opvolger in zijne waardigheid, onder beding dat aan den tweeden
T. Lampasei het beheer over de IV moekims zou worden opgedra-
gen; eenein Atjih zeer gewone opdracht, die minder eene directe inmen-
ging met het bestuur dan wel het verzekeren aan den titularis van
een deel der landsinkomsten ten doel heeft, T. Lampasei schijnt de
partij van onzen eersten bondgenoot T. Nek Setia, radja van Maraksa,
meer toegedaan te zün geweest dan die van T. Nanta het hoofd van
de VI M., toen zij tijdens den burgeroorlog, waaraan Atjih onder
den in 1870 overleden sultan Mantsoer Sjah ten prooi was, steeds
vijandig tegenover elkander stonden, en laatstgenoemde een grooten in-
vloed op den zwakken karakterloozen Nja-!-Xbas wist te verkrijgen. Toen
echter T. Nek zich reeds bn de eerste expeditie aan onze zijde schaar-
de C`), werd diens gedrag en politieke houding door T. Lampasei noch
goedgekeurd noch gevolgd; en ’t was niet dan nadat het den listigen
T. Nanta gelukte, hem bij zijn ouderen broeder verdacht te maken
en het beheer over de IV M. op zijne neven T. Moeda Joesoef en
T. Tjoet Bantah te doen overgaan, dat hij onze zijde koos. Die smaad
toch was te groot, die hoon wilde T. Lampasei niet verdragen en het
voorbeeld van zijn schoonvader T. Nek volgende, is hij ons een trouw
bondgenoot geworden. Al weder een bewüs hoe bekendheid met de be-
langen der tegen ons overstaande hoofden, met de drüfveeren die hunne
handelingen besturen en de middelen om ze in ons voordeel aan te
wenden, veeltüds gunstiger werkt dan die mannen door wapengeweld
van ons te verwijderen.
Diplomatiek- en krijgsbeleid moeten in Atjih de zege behalen;
en het volk dat geweld tegenover geweld stelt en zich met alle
kracht tegen het overwicht onzer wapenen verzet, zal misschien eerder
zwichten voor een zedelijk overwicht, dat op een verzoenende, recht-
M vaardige en menschlievende staatkunde gegrond is. Hadden wij aan de
vijandschap tusschen den sultan en ’t hoofd van Maraksa het voordeel
I te danken, van den beginne af op onze westelijke flank gedekt,
aan den linkeroever der Atjih meester van het strand en niet geheel
aan eigen kracht overgelaten te zün, het onrecht T. Lampasei aan-
gedaan, schonk ons een nieuwen aanhanger in het gebied dat met
het onze thans een samenhangend geheel uitmaakt. Toch tellen wij
in deze sagi nog hardnekkige vüanden, waaronder imam Longbatta en
T, Nanta ons de handen vol werk geven.
In de XXVI M. noemen T, Moeda Nja Batah en T. Nja Tjoet Lem-
rong zich beiden ’t hoofd der sagi, als bezittende beiden een aanstelling
van den sultan, waaruit men al weder het wanbestuur van het sulta-
n naat leert kennen. Reeds lang geleden gaven zü den wensch te ken-
(*) Zie De eerste expeditie tegen A65/z; eene öädraye tot de Indische lcrygsgeseniedenie,
door A. J. A. Gerlach, gepensioneerd kolonel der artillerie, (Overgeclrukt uit De Tädspiegel
1874) bladz. 8, enz. ,
/ J/"(