HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 32

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 8.45 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

ri I
l
l
ïi
30 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. ‘
staat en niemand de publieke zaak vertegenwoordigt. In een land dat
ophield oorlogvoerende mogendheid te zgn, waar - er is reeds vroeger
opgewezen ~ (') heden de een, morgen een anderen ten slotte de ruwe
volksmassa meester blijft, moest onze eerste taak zgn, ’t gezag in han-
den te nemen en de anarchie te beteugelen, met het doel de rust te
{ herstellen en de bevolking voor ons te winnen. Dat doel trachtte de
ii regeerings­commissaris door eene vorzoenende politiek te bereiken.
ä De kennis omtrent de positie en persoonlijke hoedanigheden van de ons
ll vijandig gezinde hoeloebalangs is even als die van het land hunner inwoning
en de middelen, waarover zij beschikken kunnen, niet veel vooruitgegaan.
Bij het vroeger door mij medegedeelde zou nog gevoegd kunnen
worden, dat sedert 1675 het aantal moekims in de sagis XXV en
j XXVI niet of weinig toenam, terwijl dat inde XXII, ten gevolge zijner
‘ belangrijke uitbreiding naar het zuiden, gedurende twee eeuwen aan-
i zienlük vermeerderd is en thans op meer dan 70 wordt geschat. De
I bestuurder van deze machtige sagi, toekoe Tjoet Bantah met den
erfelijken titel (galar) van Sri Moedct Perkasct, doch meestal panglima
Polim genoemd, schijnt in het zuiden op ruim 24 uren gaans van
Kota Radja, in de kampong Anak­Galoeng zün verhlüf te hebben. Aan
die versterkte stelling in ’t gebergte, uitgebreider - zegt men -­- dan
de kraton des sultans, of wel aan ’t zuidelijk gelegen hoogland is som-
tijds verkeerdelijk den naam gegeven van Toenong. De geheele sagi
XXII M. wordt gewoonlijk aldus genoemd, en in de benaming Orang-
V toenong, een verbastering van het Maleische orang-goenong (bergvolk),
‘ door hare bevolking aangenomen , is wellicht de aanleiding tot dat mis-
verstand te zoeken. Zoo dragen o. a. de bewoners van III moekim
Kerkoen (sagi XXVI M.) omdat zij vroeger tot de sagi XXII M. be-
hoorden, nog altüd den naam van orang-toenong. Die bevolking staat
bij de bewoners der strandsagis niet gunstig bekend. Wreed, ruw,
gehard, met weinig behoeften en vrüheidlievend gelük de meeste berg-
volken, vormt zü de eigenlijke oorlogspartij in Groot­Atjih. Te ver Mw
van het krügsgewoel verwijderd om er de nadeelige gevolgen van te j
ondervinden, acht hare kampongs voor elken aanval beveiligd; de
` strijdbare mannen verwülen liever op het oorlogs- dan op het rijstveld
en leven er grootendeels ten koste der strandbewoners. De onstuimige
moed en doodsverachting, waarmede dit krachtige bergvolk aanvankelijk
optrad, heeft later voor een meer omzichtige wüze van strüden plaats
gemaakt, die bij onze troepen niet onopgemerkt is gebleven. Toekoe
Bahit of Baït, T. Tjoet Ardjat ­­ jongeren broeder van P. Polim -
T. Tji kampong Baroe en T. Rawa Setia behcoren tot de voornaamste
aanvoerders.
T. N_ja­Abas, met den erfelijken titel van Setia Oelema, is ’t hoofd A
van de XXV M. wiens vroegere aanbieding van onderwerping tot heden W
(*) De Täc/spiegel I875, 11 . I., bl. 97 en 98.
(·f) Zie De Tädspiegel 1875 , 110. 5, bladz. 48 en volgende.