HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 31

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 8.54 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

DE TVVEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 29
door het 9d¤ bataillon:
Penditti, Kota alam, Lemboe O., Nieuw Lemboe N.O., Berauw,
Benting Penajoeng, Djawa , Langkroek , Lampriet, Oostelük Langkroek ,
Lamara Z.O., Marine benting, Lamara N.O., Tiban, Rad_ja­bedil met
den riviermond, Moesapi, benevens Lohong N.O. en­Z.O. (zuidwaarts
van Kota Radja) ;
door het rechterhalf ’10d€ bataillon:
Planggahan, Oeleh­leh, de seinpost tot communicatie met de reede,
Sinangri en Pakan­Atjih (even boven Kota Radja).
De overige troepen waren te Kota Radja samengetrokken
VVat de staatkundige toestand van Atjih betreft, daarin was weinig
_ of geen verandering gekomen. ’t Sedert lang ontworpen plan der oor-
logspartij om tot de benoeming van een nieuwen sultan over te gaan -
de leuze waaronder zij de algemeene belangstelling trachtte op te
wekken om daardoor meer hulptroepen te verkrijgen -- stuitte af op
bezwaren van allerlei aard. VVas ’t reeds moeilijk in Groot­At_jih eene
volstrekte meerderheid voor den daartoe aangewezen toeankoe Daoed,
tienjarigen kleinzoon van wijlen sultan Ibrahim, vooral onder een
regentschap van den eerzuehtigen toeankoe Hassim, te verkrijgen. De
radja van Pedir zou wel nimmer de onbetwistbare rechten van den
wettigen troonsopvolger - tevens zijn kleinzoon - aan de keuze van
toeankoe Daoed hebben opgeofferd. Die Hassim, thans een der meest
invloedrijke hoofden, uit vorstelijk bloed gesproten, zoo als zijn titel
toeankoe aanduidt, en die zelf aanspraak maakt op Atjih’s kroon , zou
als regent een nog gevaarlijker vijand kunnen worden dan hij tot hiertoe
geweest is. Men zou hem bij een Todtleben (op kleine schaal), beter
nog bij een goesti Djilantiek of een Abd’el Kader kunnen vergelijken.
Bij zulke uiteenloopende belangen is de keuze van een nieuwen
titularis vooralsnog niet te voorzien. Bovendien hadden verscheiden
hoeloebalangs uit de XXV en XXVI M. verklaard geen sultan voor
ie wettig te erkennen, die niet in den kraton gekroond was. Met recht
vroegen zij: >>welke inkomsten hem te geven, nu het sultans gebied
(kroondomein) den Hollander toebehoort, de heffing der in- en uit-
‘ voerrechten niet meer bestaat en de fondsen zelfs niet aanwezig zijn,
om de -· volgens den adat -- bij de krooning bepaalden pembrian radja
aan de panglimas te kunnen uitkeeren ?" Onder de bestaande omstan-
digheden is ’t herstel en ’t behoud van een sultanaat dan ook eene
hersenschim, die wel door niemand dan door eenige oorlogzuchtige
i hoofden zal worden gedeeld. Het rijk van Atjih is ontbonden en
__ heeft als sultanaat feitelijk opgehouden te bestaan ; niet slechts door het
5 verlies van den heiligen kraton, aan welks bezit de Atjineezen hun
volksbestaan vastknoopen en des sultans dood, maar voornamelijk door
het afvallen der vazalstaten, die geen stamland meer erkennen, waar
noch wetgevende macht noch uitvoerend bewind noch_ regeerkracht be-
(*) Zie Kaloniaal verslag l876.·· ;