HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 30

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 8.54 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

ïl
j .
2
28 DE TWEEDE EXPEDITIAE TEGEN ATJIH.
heid was dienstbaar gemaakt, van particuliere zijde en niet het minst
door tusschenkomst der vereeniging Het Roode Kruis werd veel ont-
vangen ter verzachting en veraangenaming van het lot onzer soldaten.
En waarlijk bij eene langdurige expeditie vereischt hunne behandeling
eene bijzondere en zorgvuldige opmerkzaamheid, waaraan een oplettend
bevelhebber somtijds zijne plannen of voorgenomen operatiën dient op
te offeren of ondergeschikt te maken. De abnormale gezondheidstoe-
stand toch en de groote sterfte ­- de cholera buiten rekening latende -
moeten, zelfs bij een overigens gezonde landstreek, voornamelijk aan
buitengewone vermoeienis en inspanning worden toegeschreven. VVeini-
gen zijn in een tropisch klimaat er tegen bestand. De Europeanen
vooral geraken spoedig uitgeput, zij worden ziek, bezvvüken en eene _
onophoudelijke aanvulling verslindt de beste krachten van het leger. Ook
hier is de ondervinding de beste leermeesteres.
Lieten de Atjineezen onze troepen veeltijds met rust, ze werden van
onze zijde niet weinig bestookt en er had eene ongelooflijke verspilling
van munitie plaats. Immers, zoo men op ingekomen berichten staat
kan maken, zouden dagelijks, zelfs uit kleine posten, omstreeks 75
puntgranaten verschoten worden en van den 10d*¤ tot den 20:**** Juli
2300 dezer projectielen verbruikt zijn. ’t Valt echter van buiten af
even moeilijk te beoordeelen of dat aanzienlijk verbruik van munitie
door de omstandigheden werd gewettigd, als te begrijpen hoe een
betrekkelijk onschadelijk vuur van den vijand met zulk een krachtig
geschutvuur door onze artilleristen zou zün beantwoord; te meer daar
in Kota Radja slechts 9 vuurmonden in batterij staan en 48 (vesting-
en veldgeschut) waaronder 5 mortieren van 20 cm. en 15 Coehoorn-
mortieren over een dertigtal posten waren verdeeld.
Nog eene enkele opgave of mededeeling, die een helderder blik doet
slaan. in den toenmaligen toestand moge hier volgen, om daarna naar
het ooglogsveld terug te keeren.
Wat de indeeling van onze legermacht betreft, zij zal, bij het raad- te
plegen van de aangegeven kaart (’) in een oogopslag de toen ingeno-
men stelling doen kennen: en als men dan met potlood de lijn aan-
geeft langs den rechteroever der kreek Titji­pandjang, die zich bij Moesapi ‘
in de lagune ontlast, over Longbatta-mesigit, Lamara­Grit_jiel, Oelejlo
en Sinangri tot het einde van den linkeroever der kwala Tjangkoel,
zal men met even veel gemak de latere uitbreiding onzer stelling kun-
nen nagaan. Die indeeling was in de maand Juli 1875 als volgt: p
Door het rechterhalf 2*16 bataillon werden bezet:
Lampasej, Blang­Oe, Poe­oe, Soerian, Lamteboe en Zuid Setoe; __
door het 3äG bataillon: r
Poengej Blang Tjoet, Mandarsa poeti, Lamara Oelejlo, Gritjiel, Lo- g
hong N.O. , Longbatta Mesigit, Blang Tjoet, Longbatta zuid en Lam-
poe­oeh.
t*) Zie het vorige nummer van De Tädspiegel.