HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 28

JPEG (Deze pagina), 0.99 MB

TIFF (Deze pagina), 8.62 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

26 DE TWEEDE ExPED1T1E TEGEN ATJIH.
volking naar het even vijandig gezinde Merdoe gevlucht bleef ook dáár
door het vuur onzer schepen niet verschoond, ’t geen aan de noordkust L
eene hevige verbittering ten gevolge had, en alle persoonlüke aanraking
tusschen de radjas met de scheepscommandanten of de hun toegevoegde Z
controleurs geheel deed ophouden. ‘
j >>In de onderworpen landschappen ter oostkust" -­ zoo lezen wij in
i het veel te weinig bekende Koloniaal verslag van 1876 - >>was de
1 toestand over het algemeen bevredigend." Ze werden allen in Mei en
Juni 1875 door den pas aldaar opgetreden adsistent-resident De Schee­ l
maker, in gezelschap van den stations­commandant bezocht, die overal l
een gewenschte ontvangst genoten. l
Aan de westkust werden verscheidene staatjes geregeld door onze ’
schepen bezocht; te Mukkie werd later bij betere gezindheid 'de vlag
uitgereikt en eenige radjas der noordelijke landschappen, die blijken van
toenadering hadden gegeven , zouden nader te Kota Radja worden be- l
ëedigd. Men verwachtte evenwel geene algemeene en afdoende verbete­ l
ring in den toestand der noordelijke en westelijke kusten, voor en aleer T
er Nederlandsche ambtenaren gevestigd zouden zijn; ambtenaren, die
als vertegenwoordigers van een beschaafd maar tevens krachtig gouver­ .
nement, niets liever· wenschen dan vooruitgang en welvaart aan te al
brengen, doch onwil en verzet onmiddellijk zullen te keer gaan. Sedert 1
1874 is bij de uitbreiding van ons gezag het burgerlijk bestuursper-
soneel dan ook naar evenredigheid vermeerderd; een maatregel die aan-
_ vankelijk goede vruchten draagt.
De radja van Edi, op den duur zeer ingenomen met onze vestiging I
in zijn gebied, waar thans eene vroeger ongekende orde heerscht en 1;
de welvaart zichtbaar toeneemt ('), had tevens zijne inkomsten op vas-
teren voet geregeld. Na de heffing der in- en uitgaande rechten voor Q
een zeker aantal jaren te hebben verpacht, ging hij in navolging van
de vorsten van Deli, Serdang en Langkat al spoedig over, om woeste 4
gronden in erfpacht zelfs aan de Nederlandsche handelmaatschappij af `°f
te staan. En als nu de vredevlag ons ook uit Simpang Olim zal
tegenwaaien, kan .de oostkust van Atjih een belangrijken handel met
onze overige bezittingen en het moederland opleveren.
Intusschen bleef er een vijand te bekampen, wiens wapenen zeker-
der _troffen dan de klewang van den Atjinees en die ons voortdurend
bestookte. Koorts, dyssenterie en cholera, ziedaar de sombere trits,
welker verpestende adem over Atjih uitging en ’t anders niet onge-
zonde land als in een kerkhof herschiep. Al waren van den ’15t€¤ tot
den 10dm Juni slechts 9 choleralijders bezweken, toch was het aantal
zieken in die tien dagen met 530 vermeerderd en na aftrek van her-
stelden, geëvacueerden en overledenen, bleven op den 11<襤 650lijders
onder behandeling.
(*) Zie Kolonimzl verslag van 1876.

i D