HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 26

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 8.44 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

rl
l
`il _
je 24 DE TWEEDE Ex1>EmTxE TEGEN Arm:.
allen verlaten, hoewel zij zooveel mogelük waren gespaard. ’t VVas
trouwens te voorzien. dat eene opgeruide, hoogmoedige, strijdlustige be-
volking met een erfelijken wrok in het hart, den fieren nek niet spoe-
dig onder het vreemde juk zou doen buigen. VVel had zij de kracht
van onze wapenen gevoeld, maar ook de vredepalm was haar toege- j
reikt en men hoopte door tüd, geduld en een verzoenenden geest veel
j te verkrijgen. Tüd , om het volk het onvermijdelijke van zijne onder- j·
werping te doen inzien; geduld, om die onderwerping af te wachten;
een verzoenende geest, om ze zoo mogelijk te verhaasten en vruchten
te doen dragen. i
Na zich anderhalf jaar lang met rusteloozen ijver en opoffering zijner
beste krachten van züne moeilijke roeping te hebben gekweten, ge- ll
voelde Pel behoefte aan rust om züne geschokte gezondheid te herstellen, Fi
waartoe hem in het milde klimaat van Buitenzorg de gelegenheid geopend
werd, toen hij den 12d€¤ Juni door den kolonel (thans generaal-ma-
joor) G. B. T. Wiggers van Kerchem in züne functiën was vervangen.
Om meester te zijn van de groote waterwegen en het binnenland
geheel te kunnen afsluiten, was het noodig de linie koeroxïg Ri_ja­ W
koerong Raba in onze macht te hebben; eene stelling die, van het
eerste punt ­ beoosten Gighen ­- langs Kota Radja naar het tweede
doorgetrokken, (omstreeks 8 uren gaans), ingenomen en bezet zou
moeten worden. j
Terecht achtte de nieuwe bevelhebber de toen voorhanden zijnde
middelen ontoereikend om aan onze posten-keten eene zoodanige uitbrei-
ding te geven, te meer wijl de tijd voor het doen van operatiën ver-
streken was en ’t hem raadzamer voorkwam, de reeds ingenomen stel-
ling te consolideeren.
Valt er alzoo weinig van het oorlogsveld te vermelden, zooveel te
meer tijd en arbeid konden aan de werken des vredes worden besteed.
Woniragen, hospitalen en transportmiddelen werden verbeterd , de arte- 3
sische put in Kota Radja begon ruimschoots drinkwater op te leveren,
de üsfabriek gaf dagelijks 200 ponden boven de behoeften van het
hospitaal, en weldra zou de Atjinees huiverend omzien naar dien snui-
venden en stampenden vuurdraak, die te midden van wildernis en
moeras zich langs een üzer pad den weg zou banen om van ons
havenhoofd het hoofdkwartier in enkele minuten te bereiken. Die
reeds zoo lang in aanbouw zünde spoorweg nadert zijne voltooiing, en
zal wellicht spoedig in gebruik worden gesteld. Maar reeds vóór men
Atjih bereikte, had Nederland de banier van zijn hoogere beschaving
als gids voor den zeeman aan de vroeger zoo gevaarlüke onherbergzame
kust geplant. Het schitterend licht, den 2OS'°€" Juni op de noorde-
lijkste punt van Poeloc Bras ontstoken, ’16O meters boven volzee ver-
heven en tot op 32 Engelsche mijlen ver zichtbaar, werd ongeveer
een maand later op plechtige wüze ingewüd.
Nadat door den kapitein luitenant ter zee Van der Sleijden een in-