HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 25

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 8.44 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 23
wat minder millioenen kosten dan het voortduren van den oorlog nog
zal vereischen. ’ t Is niet om den bewonderenswaardige moed en de volhar-
ding, waarmede onze vijand zijn onafhankelük volksbestaan verdedigt,
te verkleinen of minder te doen waardeeren, dat ’t bovenstaande werd
neergeschreven; maar omdat, waar geschiedenis en ervaring spreken,
die waarschuwende stemmen niet verloren mogen gaan. Waar zoo
veler onderwerping moeilijk als eene waarachtige, oprecht gemeende toe-
nadering beschouwd of aangenomen kan worden en die in de toekomst
tal van gevaren doet voorzien, is het minder gewaagd een middel te
beproeven, dat misschien den reeds veel te lang gerekten oorlog kan
doen eindigen.
In ’t begin van Mei rukten twee colonnes uit, om de bewegingen
van den vijand uit züne stelling te Ketapang doea en omstreken op
meer afdoende wijze te beperken, en de gemeenschap tusschen onze
zuidelijke en westelijke posten te verbeteren. De eerste, onder de be-
velen van den luitenant-kolonel De Coenens, ten, einde Lamlagang en
Getjiel te doen ontruimen en er eene versterking aan te leggen; de
tweede, onder den majoor Romswinckel, om langs den linkeroever der
koerong Daroe zich van de kampongs Setoe en Lamteboe meester te
maken en door onze troepen te doen bezetten. Beide operatiën werden
met een goeden uitslag bekroond en openden de gelegenheid om zoo
noodig Ketapang doea en Bital in onze linie op te nemen, wanneer
het aantal zieken eene grootere krachtsontwikkeling zou toelaten.
De oorlogskans was ons niet ongunstig geweest. Wapperde de Neder-
landsche vlag schier overal aan de kust, binnen ’s lands was onze
stelling uitgebreid en beveiligd, benevens het verband tusschen de
; verschillende posten en de gemeenschap met de zee verzekerd.
Pel, die het operatieplan van zijn voorganger gevolgd en de hem opge-
2 dragen taak volbracht had , mocht met voldoening op ’t militaire gedeelte
j van zijn arbeid terug zien, toen hij schreef dat het aangewezen program-
ma was uitgevoerd; onze troepen thet hart van ’tland hadden bezet en er
» volkomen veilig waren; dat de keuze van een sultan onmogelijk en de
aanvoer van behoeften zoo al niet geheel belet dan toch zeer moeilijk
was, en eene afwachtende houding kon worden aangenomen.
De resultaten op politiek terrein verkregen waren minder gunstig
te noemen. Niettegenstaande een reeks van overwinningen, die ons
meester deden zün van ’tland tusschen den zoogenaamden Pedirdijk in
’t oosten, de koerong Tjangkoel in ’t westen en Longbatta in het zui-
den, d. i. van het geheele voormalige sultansgebied, van Maraksa
en een groot deel der III moekims (sagi XXVI), was onze politieke
toestand niet naar gelang der behaalde voordeelen verbeterd. In
weerwil van de gematigdheid, waarmede de oorlog gevoerd was ,
stonden de Atjineezen met denzelfden haat tegen ons over; er had niet
de minste toenadering plaats en de ontvolkte kampongs bleven meest