HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 24

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 8.44 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

rl E
ïl
i j;
l
` 22 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIII.
XVId¤ eeuw werden de bewindhebberen der Oost­Indische Compagnie
tegen de verregaande trouweloosheid van Atjih’s vorsten gewaarschuwd.
>>Een heden bezworen tractaat wordt morgen verbroken, eene pas afge­
legde belofte straks ontkend en de onervaren handelaar in alles bedro-
gen." C) Wanneer zij door geweld hun doel niet konden bereiken -
zeggen de meeste Portugeesche geschiedschrijvers ­- waren huichelarij,
omkooping en trouwbreuk de wapenen, waarvan zij zich bedienden en
die zij meesterlijk wisten te voeren.
De bevolking is gebleven wat zij was toen de admiraal De Beaulieu
ruim twee en een halve eeuw geleden van haar getuigde: het zijn
verraders, dieven en vergiftigers: >>hoogmoedig, nijdig, vooral tegenover
de christenen, en zonder eenig geloof ofgeweten," welke getuigenissen
zoowel door de geschiedenis als door de ervaring worden bevestigd.
Daar waar gezag noch wet bestaat, ’t volkenrecht of niet gekend of
niet erkend en geëerbiedigd wordt, de steeds ontbloot gedragen klewang
immer het recht van den sterksten doet gelden en hoofden ofkampongs
elkander jaren lang bestrijden, is oorlog een normale toestand geworden.
Geen wonder dan ook, dat eene kleine fractie in staat is een geheele
landstreek in bedwang of een tijd lang onder de wapens te houden.
Daar waar ieder gehucht of gewest door zijne strijdbare mannen wordt
bewaakt en verdedigd, die, er uit verjaagd zijnde, ’t zij uit haat, ’t zij
uit vrees of godsdienstig fanatisme zich bg de oorlogspartij aansluiten,
valt het een panglima Polim, een imam Longbatta, een toekoe Nanta
en anderen niet moeilijk die mannen, aan armoede ofontbering gewoon
en weinig of geen behoeften kennende, als blinde werktuigen voor hunne
strijdlustige oogmerken te bezigen. De kleine man wordt opgeofferd aan
de luimen van aanvoerders, die zich in eigen haardstede niet veilig achten
of in een onbewaakt oogenblik zwoeren eerder te sterven dan zich aan j
den gehaten Hollander te onderwerpen. Toch zouden de radjas van
Pedir en Rigas al spoedig toonen, hoe weinig een Atjineesch vorst zich i
bekommert om een eed, al is hij op den koran gezworen; terwijl de 3
bevolking van Djawa en Maraksa reeds bij den aanvang heeft bewezen,
dat ook die z. g. n. onverzoenlijke haat tegen den erfvüand wel te [
verzoenen is.
. Na al wat allengs omtrent de inzichten van de oorlogspartij bekend
werd, is meermalen de vraag geopperd, waarom men tot hiertoe geen
ander middel van onderwerping beproefde, een middel dat betere resul-
taten belooft dan wapengeweld of afwachtende houding. Immers mag men
sommige berichtgevers gelooven, dan zouden alle Atjineesche hoofden,
zelfs de hooggeplaatsten, om te koopen en >>de schaamte die hen terug-
houdt" gemakkelijk te overwinnen zijn; le tout dépend du prix que
l’ on y mette. Het middel moge niet goedkoop wezen, ’t zou echter vrij
(*) Zie Agila en de Arfjinezen. Beknopt overzickt van 0nze betrekkingen totdat räk,
sedert de vestiging der Nederlanders in den 00st­Indisc/een Arcktpel. (Overgedrukt uit De
Tädspiegel.) Arnhem, D. A. Thieme, 1873.
i
(i