HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 22

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.50 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

rT*"l‘il il
20 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
kleuren te verkiezen was, omdat het recht gaf op de bescherming van
de vlag, sedert eeuwen in den O0st­Indischen Archipel als die van het
oppergezag erkend en geëerd. W
De rükjes van eenige beteekenis, die dat gezag nog niet hadden erkend, ,
waren aan de westkust:
Telok Kroet, Rigas en Toenom ; .
aan de noordkustz
Pedir, Merdoe en Samalangan;
aan de oostkust:
Simpang-Olim, Tand_jong·Semantoh of Aroekoendoer en Langsar.
De wenk door onzen tolk Sidi Tahir vroeger aan den radja van Gighen
gegeven, schijnt een goeden indruk te hebben nagelaten. Toen namelijk
dat hoofd bij zijn onderwerping een pembriam radja gevraagd en ver-
kregen had, werd hij door den tolk herinnerd hoe volgens den adat
het betalen van de jaarlijksche huldegift of hassil thans verplichtend
voor hem geworden was; en gij hebt nu niet meer te doen ­- zeide
Sidi Tahir ­- met een zwakken sultan, die sterft en vervangen wordt,
maar met een machtig altüd blüvend gouvernement, dat de middelen
bezit u te dwingen, bijaldien ge aan uwe verplichting niet mocht voldoen.
De verschrikte radja openhartig bekennende aan die vervloekte hassil
niet gedacht en de verdere gevolgen niet te hebben ingezien, is anderen
ten voorbeeld geworden; althans schijnt later -­ misschien op een
enkele uitzondering na - geen geschenk (pembriam radja) ofgeldelüke
tegemoetkoming meer gevraagd of` aan de nieuwe vazallen toegekend te
zijn. Al moest de onderwerpings­acte voortaan beëedigd worden, de
meesten toonden zich daartoe bereid en onze invloed aan.de kusten
breidde zich meer en meer uit.
Die uitbreiding was te voorzien, door dat verschillende rijkjes reeds
vroeger geneigd waren zich te onderwerpen, in de hoop dat onder de
hoede der Nederlandsche vlag orde en rust zouden wederkeeren, waar
twist en tweedracht zoo lang hadden geheerscht. _
Llverzucht toch op de heffing der belasting, vooral op die van den
peperuitvoer, handelsnüd, vermeende eigendoms­ of andere rechten der
rijksgrooten, vervanging of opvolging in ’t bestuur en oude familie twisten, .
waren evenveel redenen geweest voor somtijds jaren langen strijd, en <
maakten het dikwüls moeilijk aan het verlangen tot onderwerping van l
sommige radjas te voldoen, zonder de Indische regeering in ongelegenheid
of nieuwe verwikkelingen te brengen. Als men nagaat, dat de hoofden
van 125 staatjes in ’t voormalige rijk van Atjih heffers zijn van ver-
schillende in- en uitvoerrechten, zal die onderling vijandige stemming
minder vreemd voorkomen en de moeilijkheid doen inzien, nu reeds eene
algemeene regeling te treffen om die heffing geheel of gedeeltelijk door i
ons gouvernement te doen overnemen. Op dit terrein, waarbij zoo veler
belang gemoeid is, gebiedt eene wüze staatkunde de hoogst mogelijke
omzichtigheid in acht te nemen. `