HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 21

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.49 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. ’19
Hadden onze soldaten veel geleden, de verliezen der Atjineezen, zoo
‘ door ziekte, als door het meer en meer wegblijven der hulpbenden uit
de reeds onderworpen of naar onze züde overhellende staatjes, deden
zich niet minder gevoelen en men hoopte het einde van den strijd nabü,.
i Groot­Atjih toch zou spoedig - zoo dacht men - geen andere keuze
hebben dan het hoofd in den schoot te leggen en zich aan Neerland’s
oppergezag te onderwerpen; te meer daar volgensingewonnen berichten
de geldmiddelen zoodanig waren uitgeput, dat de looden pasmuntreeds
tot kogels versmolten was en de rijksgrooten niets meer in kas hadden
om de oorlogskosten te betalen. Handel, scheepvaart, vischvangst en
landbouw waren bijna geheel te niet gegaan, en bü het raadplegen van
toenmalige en vroegere handelsstaten kan de aanzienlijke vermindering
v zoo aan in- en uitvoerrechten, als van de peper- en rüstcultuur, een
vrij jnisten maatstaf aangeven van de onheilen door een verblinde oor-
W logspartij over land en volk gebracht.
Ook buiten het oorlogsveld scheen de kans tot eene vredelievende
oplossing niet verminderd. Op Penang was de geestdrift voor en de
belangstelling in ’s lands verdediging zoo goed als uitgedoofd , sedert
eenige invloedrijke hoofden uit Groot-Atjih den Raad van Achten zijn
onvermogen tot het bewijzen van wezenlijke diensten, of ’t verleenen
van de noodige hulpmiddelen tot voortzetting van den strijd, met harde
woorden hadden verweten, en de zelfzuchtige dienstaanbiedingen van den
uit Britsch­Indië teruggekeerden Habib Abdoe’r­Rahman door de Indische
regeering op nieuw waren geweigerd. Was het gezag van dien Raad
reeds zeer gedaald, ’t ging geheel verloren toen - door eene gedeeltelijke
opliefting der blokkade - de meeste zijner leden hun gewoon handels-
bedrüf konden hervatten. Dat eertüds zoo geëerbiedigde orgaan bezit
thans geen den minsten invloed meer, noch bij de hoofden noch bijde
bevolking, terwijl bovengenoemde Arabier zich wederom bij de oorlogs-
, partij aansloot; hij deed althans in de Penang gctzette van 10 Juni het
verhaal plaatsen van een geheel uit de lucht gegrepen gevecht, waarin
hij de Atjineezen een schitterende overwinning op de Hollanders doet
behalen, en trachtte tot in Quedah toe hnlptroepen te verkrügen.
Van Atjih’s onderlioorigheden hadden de meesten zich onderworpen en
voerden onze vlag of waren tot toenadering bereid. Het voeren van
onze kleuren zou niet dan met veel moeite van sommige staatjes ver-
kregen zijn, ware het niet, dat de generaal Van Svvieten in züne
correspondentie met onzen bondgenoot den radja van Troemon -- die
veel tot de erkenning van Neerland’s oppergezag aan de westkust heeft
bügedragen -- hem al de voorrechten er van had doen inzien. Ten
gevolge der overredende taal en klemmende argumenten van den regee-
rings­commissaris was niet alleen T. Tjihik Toea, radja van Malaboe,
er toe overgegaan zijne vlag door de onze te vervangen, maar ook
Troemon’s vorst overtuigd geworden, dat de erkenning van Neerland’s
souvereiniteit en het voeren. van de driekleur ver boven dat van eigen