HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 20

JPEG (Deze pagina), 1.03 MB

TIFF (Deze pagina), 8.49 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

18 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
voor; men hield zich onledig zoo met ’t slechten van ettelijke bentings,
’t opruimen van hindernissen, ’t wegkappen van boom- en heestergewas ·
om een beter uitzicht te verkrijgen en de werking `van ons vuur te
bevorderen, als met het versterken en bezetten van enkele strategische
punten, ten einde eenige tusschenliggende posten te kunnen opheffen. I
Met een betrekkelijk gering verlies aan onze zijde werden achtervolgens
Lamara-Oelejloe en Lohong genomen en bezet, om de verbinding tusschen
de zuidelijke en westelijke liniën te verzekeren en de Atjineesche stel-
lingen meer in bedwang te houden.
Ofschoon volgens ingewonnen berichten imam Longbatta door ziekte
in het binnenland teruggehouden, panglima Polim vredelievender gestemd
en het volk den oorlog moede werd, bleef het in zijn tegenstand vol-
harden; en al zag men geene tandakkende hoeloebalangs meer vooruit-
snellen om zich met de klewang in de vuist op onze bajonnetten te
werpen of met innige doodsverachting de stoutmoedigste aanvallen ,
ondernemen, van toenadering was geen spoor te ontdekken. Zoo ging
0. a. het oorlogzuchtige hoofd der VI moekim , toekoe Nanta, steeds
voort onze posten aan den rechteroever der kwala Tjangkoel te ver-
ontrusten en een verboden kustvaart te onderhouden, waarom het noodig
werd zün gebied op strenge wijze te doen bewaken en die vijandige
handelingen nu en dan door eenige granaatworpen te bestraffen.
Terwijl de zeemacht zich beüverde de monding van kreken en rivieren
op te nemen, de kusten te verkennen en allengs in kaart te brengen,
de politie in de Atjineesche wateren en de blokkade van de niet onder-
worpen onderhoorigheden te handhaven of met de hoofden der kuststaten
in onderhandeling te treden, trachtte de landmacht door het verbeteren
van hare positie zich duurzaam op het in bezit genomen terrein te
vestigen, waarbij zij niet alleen met de daaraan verknochte bezwaren,
maar bovendien met tal van kwalen en ziekten had te kampen. Een
diep weemoedig gevoel beklemt ons het hart, als wü uit de zieken- V
rapporten de doodenlijst opmaken. Huiverend wenden wij ons af, als
onze gedachten zich te midden van zooveel leed en ellende verplaatsen.
`Wat al hoop en verwachting is te Atjih niet in rook verdwenenï Hoe
velen toch vinden er ver van het slagveld een roemloozen dood; hoe
velen die zich gouden bergen hadden gedroomd . ..... en op het krankbed
ontwaken, om er eenzaam te sterven! Van de in Februari op de
sterftestaten voorkomende 408 dooden waren niet minder dan 255 aan
de cholera bezweken.
Onze gelederen werden dan ook op zulk eene verontrustende wijze
gedund, dat eene gedurige aanvulling van troepen vereischt werd, om
in bestaande behoeften te voorzien en den in tropische gewesten altijd
afmattenden velddienst naar behooren te kunnen verrichten. Gelukkig
werd door onze tegenstanders niets van belang ondernomen; de klewang
scheen aan de hand der voorvechters ontvallen en hun vuur, dat weinig
of geen schade aanbracht, was gemakkelijk tot zwijgen te brengen,