HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 19

JPEG (Deze pagina), 1.05 MB

TIFF (Deze pagina), 8.54 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH• 17
Is in het voorgaande hoofdstuk, met de lessen der geschiedenis voor
oogen, genoegzaam aangetoond hoe eertijds een vrij wat zorgwekkender
toestand op Sumatra, al was het onder gewüzigde omstandigheden, de
gemoederen minder in beweging bracht dan thans, de ervaring leerde
l tevens hoe door een overdreven publiciteit en het te angstvallig bespieden
van den electrischen draad veel uit zijn verband gerukt of verkeerd voorge-
r steld en beoordeeld werd. Zij bewees hoe onbekendheid met den waren staat
i van zaken, bedilzucht en partijgeest meer geschikt waren bij den vijand
pl moed en volharding op te wekken, dan in ’t moederland onrust en
Y gejaagdheid voor eene meer kalme belangstelling te doen wijken.
Mocht de lezer het verder met mij eens zün, dat de openlijke afkeuring
der expeditie en de heftige, somtijds krenkende taal van enkele organen
der pers over hare leiding, even weinig waarde bezitten als de te
ij pessimistische of te optimistische voorspellingen, die vooralsnog door
'niets gerechtvaardigd worden, dan kunnen wij met een geruster hart
lj naar het tooneel van den oorlog terugkeeren.
J. Even als vroeger zullen ook in dit gedeelte van mijn opstel geene
büzonderheden vermeld worden van krijgsbedrijven, die op den verderen
loop der gebeurtenissen weinig of geen invloed uitoefenden. Zonder
` stil te staan bij de alarmeeringen of kleine verstrooide gevechten, die
j bijna dagelijks voorkwamen, zullen wij meer onze aandacht vestigen op
den algemeenen gang van zaken, en de wijze waarop men ons gebied
in Atjih zoekt te beveiligen of uittebreiden om door bevestiging van ons
p gezag tot de algeheele onderwerping des lands te geraken.
Het gevecht in en om Longbatta, waarmede ’t laatste overzicht ein-
digt ('), had het oostwaarts van Kota Radja gelegen terrein voor onze
troepen toegankelijk gemaakt, zoodat het oosterfront door ’t bezetten
van eenige omliggende punten en het oprichten van een post aan den
linker oever der rivier meer aan het vuur van den vijand werd onttrokken.
Evenzoo waren door ’t openkappen van het terrein en het leggen van
j posten te Poengej­Blang­Tjoet en Mandarsa­Poeti, de west- en zuidzijde
Q van den gewezen kraton beter voor onverhoedsche aanvallen beveiligd ,
en trachtte men allengs vaster voet in Groot­Atjih te verkrijgen.
l Liet de uitstekende geest der landmacht te midden van veel ver-
moeienis en ontbering niets te wenschen over, de marine bleef hare roe-
ping niet minder getrouw. Waar het noodig was vertoonde zich de Neder-
landsche vlag en deed zij hare rechten gelden. Zoo werden Mukkie en La.-
boean Hadji voor hunne blüvende vijandelijke gezindheid getuchtigd en de
strandkampongs door het vuur der schepen vernield, dat een gewenschten
indruk aan de westkust te weeg bracht. Op Poeloe Kajoe werd de vlag
geheschen en de radja van Malaboe liet zich bij den militairen en civie-
len bevelhebberdoor twee zijner hoeloebalangs vertegenwoordigen, die de
aangenaamste herinnering van Kota-Radja naar hun land medevoerden.
Gedurende de eerste maanden van 1875 viel er weinig belangrijks
(*) Zie De Tädsjvicgel, 1875, 110. 5.