HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 18

JPEG (Deze pagina), 946.58 KB

TIFF (Deze pagina), 8.54 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

ï.‘?¤¤·=="*er ‘·A’ ~-- e E is E o o g
16 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
en de oorlogspartij tegen Atjih betoond, had moeten aftreden en door
Disraëli vervangen was. Dat de Hollanders al hunne koffie en overige
producten van Batavia in ’t openbaar hadden moeten veilen, om geld te
bekomen voor de oorlogslasten die eene som bedroegen van meer dan .
50 millioen Spaansche matten.
>>Dat 7000 man op het slagveld en door de cholera gevallen waren,
waaronder E27 ofücieren, een Italiaansche generaal (Nino Bixio) en de
zoon van een Javaanschen pangéran. Dat Habib Abdoe’r­Rahman eerlang _
met een Turksche vloot te Penang zou aankomen. i`
>>Dat de hoofden alzoo vertrouwen moeten stellen in den Profeet, in ll
den strijd blijven volharden en niemand toelaten tot het openen van
onderhandelingen? .................
En terwijl men steeds voortgaat bijna alles, wat met dezen oorlog
in verband staat, openlijk af te keuren of in een voor ons nadeelig licht
te plaatsen, alsof ’t erop was toegelegd den Atjinees een riem onder
’t hart te steken, vindt men zich teleurgesteld dat de strijd nog niet
ten einde is gebracht! l .... men verwondert zich over die onbegrijpe­ i
lijke Q?) volharding van den vijand. 1
Aan openbare adviezen ontbreekt het evenmin, waarvan de pers zich Q
natuurlijk meester maakt, maar waardoor de tegenpartij tegelijkertijd Q
omtrent onze bedoelingen behoorlijk wordt ingelicht. Wel zijn de ad- ‘
viseurs het niet eens, de één ziet geen heil dan in agressieve operatiën,
de ander vindt beter eene samentrekkende of teruggaande beweging te i
ondernemen; een derde wil de thans ingenomen positie behouden ....
enz. enz., maar men schijnt er niet aan te denken hoe de Atjineezen `
zich die adviezen - hunne krijgskundige waarde voor Nederland in
het midden latende - ten nutte kunnen maken ten einde op elke even-
tualiteit te zijn voorbereid; .... en men klaagt: »dat zij van ons alles,
en wij van hen niets weten".
Zou het niet verstandiger wezen als de openbaarheid zich nu en dan
wat achter de omzichtigheid verschool? Zou het niet beter zijn, dat op
het oorlogsterrein zelf, door den daartoe bevoegden krijgsraad, onderzocht i
en beslist worde: of onder de gegeven omstandigheden ­­- die alleen
dáár in vollen omgang beoordeeld kunnen worden - ons belang mede-
brengt de strategische grens onzer positie uit te breiden dan wel in te kor-
ten; of en in hoeverre thans een afwachtende dan wel een aanvallende
houding raadzaam zou zijn, en die beslissing te eerbiedigen?
Als slotsom van dat alles zal de lezer waarschijnlijk erkennen dat ­-
op zijn zachtst genomen ­- wat meer behoedzaamheid hoogst wenschelijk
Ware geweest.