HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 17

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 8.56 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

1
j DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 15
in de eerste plaats: of de groote publiciteit, die aan al wat met deze
expeditie in verband stond gegeven is, goede vruchten heeft gedragen.
Men vrage, of het verkondigen van ’t ontoereikende onzer zee- en land-
macht evenals van andere zwakke punten, het vermelden van ’t groote
'° aantal zieken, de verschillende meeningen zoowel in ’s lands hooge
» raadzaal als door de pers geuit, geschikt waren om bezorgdheid en
, onrust tegen te gaan of weg te nemen? -- Zal wel niemand den tijd
, terugwenschen toen de Nederlandsche koloniën beschouwd werden als
E tot een kroondomein te behooren, of als verdediger optreden van ach-
terhoudendheid in de behandeling van zaken, waar ze met het algemeen
welzijn of groote volksbelangen in aanraking komen , of van geheimhouding,
als de regeering ­ juist door openbaarheid - nuttige adviezen kan
uitlokken, zoo moet men ze bijtijds binnen engere grenzen weten te beper-
ken, wanneer ze in oorlogstijd een nadeeligen invloed kunnen uitoefenen.
Men vrage, of het met eene voorzichtige staatkunde is overeen te brengen,
toe te staan dat de leiding eener expeditie, van den beginne af, openlijk
in de dagbladen werd besproken., en die bespreking somwijlen aan
een hoogst ongunstig oordeel omtrent het beleid der bevelhebbers
gepaard ging?
, VVas het goed gezien, elke zwakke zijde in het breede uitte meten?
Was het noodig, dat de vijand ten naastenbij kon berekenen hoeveel
man er dagelijks buiten gevecht werden gesteld , en luide te verkondigen
dat het Indische leger ten eenenmale gedesorganiseerd was en weldra
niet meer bij machte zou zün, in de noodige aanvulling onzer troepen
te voorzien om geheel strijdvaardig te blijven? Was het raadzaam, den
‘ Atjinees op het slechte gehalte der aangeworven vrijwilligers te wijzen,
. en op zooveel wat hem in zijn tegenstand kon versterken? Was men
dan vergeten dat Habib Abdoe’r­Rahman in Europa rondzwierf, dat er
Q een Singapore, een poeloe Penang en een daar gevestigde Atjineesche
{ Raad van Achten bestonden?
j Die vragen zijn niet moeilük te beantwoorden. Men leze slechts hoe
die Raad, vanwaar de hoogste bevelen uitgingen, de eenvoudigste
berichten uit de Europeesche en Indische nieuwsbladen dienstbaar wist
te maken om den Qver en de volharding der oorlogspartij in Atjih aan
á te vuren en levendig te houden, hoe die Raad, op behendige wijze waar-
· heid en logen dooreen mengende, in een zijner brieven -- reeds vroeger
door mij vermeld ­ aan de invloedrijkste hoofden o. a. het volgende i
mededeelde C):
j »Dat, door de bemoeienis der mogendheden in Europa, de blokkade
{ beperkt was en binnen den tijd van twee maanden zou worden op-
geheven.
A >>Dat de eerste minister Gladstone wegens zijne sympathie aan Nederland
(*) Brief van den 20=*¤¤ der maand Moeharram 1291, overeenkomende met den 8¤¢e¤1Iaarc
1874 onzer jaartelling, aan de panglima’s Sri Moeda Perkasa der XXII en Setia Alam der
XXV Moekim, staatsofficieren in dienst van Z. M. den Sultan (hoofden van Gro0t­A’cjih).
2