HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 16

JPEG (Deze pagina), 1.00 MB

TIFF (Deze pagina), 8.56 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

W E v
i
ä
14 DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH.
Toen eindelijk op den 16<ï"¤ Augustus 1837 de zoo beruchte kampong I
van Toeankoe Imam, het onneembaar geachte Bondjol, gevallen Was,
en men hier van niets dan van een volkomen overwinning en besten-
digen vrede droomde, duurde het nog ruim zestien maanden, eer door
de bemachtiging van Daloe­daloe, -- >>de regelmatigste inlandsche ver- M
sterking welke men ter westkust van Sumatra nog had aangetr0fi`en" - ¤
ons gezag ook meer in het noorden werd bevestigd. .
’t Kostte een harden strijd eer, tengevolge van het meester worden dier i
hoofdsterkte van den ons zoo vijandelijken hadji Mohammed Saleh toe- 1
ankoe Tamboesei, de laatste slag aan de heerschappij der padri’s was
toegebracht; en nog moesten er jaren verloopen eer de ons in de Noor-
der-afdeeling tegenoverstaande Atjineezen getuchtigd, de opstand van
Batipo gedempt, de oorlogzuchtige geest der aangrenzende gewesten .
beteugeld en de krügsoperatiën in de III en XII kotas geëindigd waren.
Niet vóór 1845 waren geheel meester van het schoonste gedeelte
in het schoone rijk van Insulinde.
Die oorlog duurde lang; dáár volgde de eene expeditie op de andere,
die somtijds de grievendste teleurstelling opleverden; dáár lieten staat-
kundig­ en krggsbeleid wel eens te wenschen over en stonden wij meer
dan eens aan den rand van den afgrond; men zoekt echter te vergeefs ,
toen of later in tijdschrift of nieuwsblad naar die afkeurende stemmen,
die moedeloosheid, die pessimistische denkloeelden en hatelijke uitdruk-
kingen, waaraan onze dagen helaas zoo rijk zijn.
Hoemeer men in de geschiedenis van die tijden doordringt en den
dikwerf zoo hachelijken toestand van onze legermacht leert kennen, vóór-
dat een volkomen zege haar werk bekroonde op datzelfde Sumatra, welks ‘
noorderkust thans het tooneel is van den oorlog, hoemeer men geneigd
wordt een uiterst behoedzaam oordeel in krijgszaken te vellen. Als men
de denkbeelden en beschouwingen leest van een man als Michiels ("), 1
xihet geïncarneerde stelsel van verovering en soldatengeweld" ­-­­ dien
wel niemand van kleinmoedigheid of ziekelijke philanthropie zal ver- j
denken - dan ontwaart men daarin meermalen eene merkwaardige
overeenkomst met de taktiek te Atjih gevolgd, Welker gevolgen ons
weldra zullen bezig houden.
En nu nog een enkel woord alvorens wij den te lang reeds afge-
broken draad van ons geschiedverhaal weder opvatten. 3
Zoolang een oorlog niet geëindigd is, zoolang de verkregen resultaten
niet in hun geheel overzien en aan het krijgsbeieid getoetst kunnen worden,
zullen er wel altijd eenige vragen vooralsnog onbeantwoord blijven. De
vraag echter, of de heerschende stemming bij dezen oorlog gerecht- j
vaardigd is, zou, geloof ik, al aanstonds ontkennend beantwoord worden;
maar wil men tot de oorzaak ervan opklimmen, men onderzoeke dan
(*) Rapport over de Noordely/ce afdeeling van Sumafras west/cast eu Additionele mia op
dat rapport, van Februari 1832.
Missive aan den gouverneur·generaa1 dd. 20 Juni l837, en andere bescheiden.
i