HomeDe tweede expeditie tegen Atjeh: een bijdrage tot indische krijgsgeschiedenisPagina 15

JPEG (Deze pagina), 1.00 MB

TIFF (Deze pagina), 8.51 MB

PDF (Volledig document), 70.92 MB

l
l
l
DE TWEEDE EXPEDITIE TEGEN ATJIH. 13
sterkingen kostte veel bloed, eischte een geregeld beleg van meer dan
twee jaren en eindigde met het in bezit nemen van .... een ledig Bondjol.
Toeankoe Imam had evenals de sultan van Atjih, - der Indische
gewoonte getrouw -­ züne met bewonderenswaardige volharding verde-
‘» digde stelling bütijds ontruimd. Meestal toch verlaten de inlanders
hunne sterkten, die niet bij verrassing genomen of geheel ingesloten
kunnen worden, vóórdat de vijand erbinnen dringt.
Die herinneringen zijn noodig, opdat aan menig zoo dikwerf los daarheen
geworpen afkeuring of ongemotiveerde teleurstelling niet te veel waarde
worde gehecht. Al is zulks meer aan onbekendheid met de Indische
krijgsgeschiedenis of eene te hoog gespannen verwachting dan aan onedele
bedoelingen of wel aan den langen duur en slechten gang van zaken
toe te schrijven, ’t oefent een ongunstigen invloed uit. Het kwade
wordt eerder geloofd dan het goede en hoe spoedig is de openbare
meening niet op een dwaalspoor gebracht. ’t Kan zgn nut hebben feiten
te doen spreken, die hachelijker omstandigheden en grooter rampen,
dan waarmede wü tot hiertoe in Atjih te kampen hadden, voor den
geest terugroepen. En wanneer de vergelijking, van ’tgeen daar reeds
verkregen of voorbereid is, met de uitkomsten van zoo menige andere
expeditie deze ten goede komt, dan eischt de billijkheid zulks te erkennen.
’t Is te wenschen dat de dure lessen der ervaring en een voortdurend
omzichtig krijgsbeleid ons voor latere onheilen mogen bewaren.
j De geleden nederlagen en de op 4 December 1836 totaal mislukte
aanval op Bondjol, benevens de ellendige toestand van het belegerings­
I korps, waar het physiek van den soldaat door sleepende moeraskoortsen
i en zijn moreel door wrevel, onwil en moedeloosheid werden ondermijnd,
E konden hier te lande nog niet bekend zijn, toen bij de mededeeling aan
den gouverneur­generaal van toe te zenden versterkingen de toenmalige
minister van koloniën o. a. de volgende zinsnede terneer schreef,
i waaruit het schier onhoudbare van onze positie is op te merken:
, >>Züne Majesteit heeft zich met müne meening niet kunnen vereenigen ,
ij dat, zoo ook met de nu gezonden middelen het oogmerk niet zou kunnen
gi worden bereikt, men als het ware de zaak zou kunnen opgeven, maar
in tegendeel verlangd: dat de algeheele onderwerping van Sumatra,
i buiten het gebied van Atjih, steeds zgn en blijven zal het staatkundig .
beginsel van het bestuur in Indië, waarvan niet, zonder ’s Konings i
j verkregen magtiging, zal vermogen te worden afgeweken/’
l ·Gelukkig ging het hoofd van den Staat de toekomst met meer ver-
i trouwen te gemoet en zag de zaken niet zóó donker in als zijn minister
j van koloniën. Gelukkig ook was de treurmare van zooveel rampspoed
1 nog niet naar het moederland overgewaaid, waar men anders allicht
zoo niet geheel den Archipel, voor ’t minst Sumatra reddeloos verloren
zou hebben geacht. Gelukkig bleef Koning Willeml >>Je maintiendrai"
getrouw, en Sumatra voor Nederland behouden.